monogram renaat
renaat bewegend obstakel

Reflecties

Reflecties op zijn Beeldende kunst

Tastbare poëzie

Hugo Brutin (2007/1)
(in het gastenboek t.g.v. de tentoonstelling in De Spil te Roeselare - sept. / okt. 2007)

Renaat Ramon is een allround kunstenaar, die geometrie hanteert en tevens een lyrisch dichter is, die het informele een zelden geziene dimensie geeft, die beweging en stilstand in een gezamenlijke orde plaatst, die orde naast zinnelijkheid laat leven. Hij trekt monumenten op die zich als het ware in de ruimte oplossen en die van gedaante veranderen naarmate men nadert of vertrekt. Hij maakt van de herhaling een emotionele ervaring en geeft kleur een verrassende autonomie, felle kleuren zoals geel, en rood ook wellicht. Hij verrast iedere keer en bezit de vreemde kracht om een voor de hand liggende geometrische figuur een andere uitstraling te geven dan deze die ze al eeuwen bezat.

Wat Ramon schrijft en tekent, ontwerpt en opbouwt is telkens verrassend van eenvoud en van zelfsprekendheid en toch bezit het de spanning van iets dat men vermoedt nooit eerder te hebben gezien hoewel men meent er vertrouwd mee te zijn. Antipoden ontmoeten elkaar enthousiast in zijn creativiteit. Niets is echter toevallig in zijn scheppingskracht en in zijn schijnbaar nonchalant vinden van vormen. Nonchalant is wellicht niet de juiste term, want dat zou de indruk kunnen wekken van enige zorgeloosheid, van een bepaald soort laisser aller. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat veel soepele, harmonische, welluidende en welsprekende zinnen en sculpturen of structuren het resultaat zijn van een diepgaand polijsten en uitpuren van het initiale gegeven, van een bewust streven naar de meest welsprekende vormentaal of zinnenstructuur via vereenvoudiging en elementaire ritmiek. Dat vertolkt Renaat Ramon in hoge mate.

Hugo Brutin
(n.a.v. de tentoonstelling in Oostduinkerke - 2007)

Ramon verdient internationale waardering, gewoon omdat hij op zijn domein, zijnde de geometrie en het informele, blijk geeft van een uitzonderlijke diepgang en inventiviteit. Cirkel, vierkant, driehoek, kubus, bol, piramide, het zijn allen eenvoudige gegevens, zo lijkt het, en toch zijn zij sinds jaren inspiratiebron voor Renaat Ramon zowel in monumentale sculpturen als in tweedimentionaliteit. De eenvoud van veel van zijn werken is vaak het resultaat van een complexe gedachte en veel van zijn sculpturen zijn pareltjes van een veelheid in een schijnbare rechtlijnigheid. Frappant is ondermeer zijn sculpturen in het aanwenden van felle en elementaire kleuren, wat de vermeende eenvoud bijkomend verheft.

Hugo Brutin

Lijn en kant
gekanteld gekarteld

Wat schraagt wat,
Wie zal door wie gedragen worden?

Zoveel ontsloten
Zoveel versproken

Is liefde het meervoud van vorm?

Marnix Coppens

Uit: Tien vragen bij beelden van Renaat Ramon

Lezers ontwerpen auto van 2005

Vier Weekend-Lezers waren in Valenciennes te gast in de ‘User Design Studio’. Daar konden ze in wereldpremière zelf hun auto van het jaar 2005 ontwerpen.
Andere futuristen krijgen de gelegenheid op het autosalon.

Over een week opent het Brusselse autosalon zijn deuren en worden gedurende tien dagen ruim 900.000 bezoekers verwacht. De meesten zullen zich moeten tevreden stellen met een glimp van het tentoongestelde, en wie met dat aanbod niet tevreden is, moet maar zijn eigen auto ontwerpen. Op de stand van First Position zal dat, dankzij de medewerking van het Institut Supérieur de Design en SupinfoCom geen utopie blijven. De User Design Studio, een mooi voorbeeld van interaktief computergebruik, kreeg gestalte toen de mensen van First Position, die jaarlijks de Europese CDAE designwedstrijd organizeren, in kontakt kwamen met Philippe Delvigne, direkteur van het ISD in Valenciennes. Het ISD leidt sinds 1987 jonge mensen op die via de computer grafische of ingenieursproblemen oplossen. In de afdeling transport-design zit een aantal zeer getalenteerde jongeren. Die ontwierpen in de voorbije maanden met de hulp van Alias-software vijftien basismodellen van auto's waaraan de salonbezoekers naar believen kunnen sleutelen om tot een eigen ontwerp te komen. Omdat het hanteren van die software geen eenvoudige klus is, worden de deelnemers bijgestaan door een infograficus, zeg maar een handige jongen die de suggesties van de deelnemer pijlsnel op het scherm overzet. Omdat per salondag slechts tien ontwerpen kunnen worden gemaakt, is een selektie noodzakelijk. Die zal worden gemaakt na het doornemen van de fiches waarop de bezoekers gegevens over zichzelf (leeftijd, gebruik dat ze van hun auto maken, afgelegde kilometers per jaar, beroep, geslacht) en over de wagen waarmee ze in 2005 willen rijden) hebben ingevuld. Op die manier kunnen de organizatoren staalkaart van de bevolking samenstellen waarin alle groepen en leeftijden in rijke mate zijn vertegenwoordigd. Dat is belangrijk omdat aan het eind van het salon een kataloog zal worden samengesteld die alle ontwerpen bevat en waaruit men belangrijke tendensen hoopt te distilleren om zodoende een idee te krijgen van de noden van de automobilist in 2005. Dat jaar werd niet zomaar lukraak gekozen: omdat de industrie vier tot vijf jaar nodig heeft om een nieuwe wagen te ontwerpen, ligt het precies twee autogeneraties van ons verwijderd. Aan de volgende generatie wordt nu al gewerkt, aan de generatie die de salonbezoekers zullen bedenken nog niet — zodat de auto-industrie reikhalzend uitkijkt naar wat tijdens het salon uit de bus komt. Om te kunnen inspelen op de echte verwachtingen van het publiek.

Omdat zo'n designexperiment toch echt een stap in het onbekende is, werd besloten een avant-première op te zetten. Weekend Knack werkte daar exclusief aan mee en kon vier lezers uitnodigen om in wereldpremière de eerste stappen te zetten. Net zoals straks op het salon werd een gevarieerde groep samengesteld, zodat ook de suggesties wat uiteen zouden lopen. Chris Vandendriessche (50) woont in Erps-Kwerps, is gehuwd en moeder van een zoon en is redakteur bij de BRTN waar ze meewerkt aan het programma „Op de koop toe”. Renaat Ramon (54) woont en werkt in Brugge; hij geniet een serieuze faam als ontwerper van vaak monumentale geometrische konstrukties in staal, steen of polyester. Ramon is ook dichter en de vader van drie zonen. Aude Jagenau (28) komt uit Brussel, heeft een zoon van vijf en werkt als produktieassistente in het videobedrijf van haar vader. Aude rijdt met Harley Davidson, is een kart-fanaat en neemt geregeld aan wedstrijden deel. Giovanni Verhaeghe (19) woont in Ruddervoorde, is eerstejaars informaticastudent en heeft een gezonde belangstelling voor alles wat rijdt.

Voor ze aan het werk togen, vulden de deelnemers op de koncept-fiche de energiebron in waarmee ze in 2005 hun wagen willen aandrijven (van elektrische motor, de klassieke benzinemotor tot een motor op koolzaadolie), de prestaties die ze ervan verwachten, het aantal plaatsen dat ze nodig denken te hebben, de plaats van motor (voor, achter, centraal) en stoelen. Aan de hand van die gegevens wordt op het computerscherm één van de basismodellen opgeroepen dat aan de beschreven verwachtingen voldoet.

Chris, die een praktisch ingestelde vrouw is, droomt ervan om over tien jaar met een handige auto en véél bagage rond te reizen. Zij koos voor een monovolume waarvan ze het gedeelte achter de stoelen achterin wat krap vond bij het basismodel. Computergraficus Serge Janssen verlengde op haar aanwijzingen het achterste deel, zorgde voor grotere wielen en rondde hier en daar wat hoekjes af. Het uiteindelijk resultaat was een praktische, wat vertrouwd uitziende auto waarvan de boeg aan die van de Renault Espace doet denken, terwijl de achtersteven herinneringen oproept aan de Pontiac Transporter.

In een andere werkruimte was Aude inmiddels bezig aan een coupé waarvan de afmetingen moesten overeenkomen met die van de Maserati Biturbo. Haar ontwerp moest verwijzingen bevatten naar auto's uit de jaren zestig, het liefst met wat chroom (wat in het computerprogramma niet voorzien was) en oplopende vleugels achteraan. Door haar on-konventionele benadering kreeg de informaticaspecialist Jeremie Degruson het knap lastig en bleek meteen dat het half uur dat de deelnemers in principe toegemeten wordt, wat scherp berekend was.

Giovanni Verhaeghe had voor over tien jaar een cabrio voor ogen waarin hij cruisend door het landschap zou rijden. Dat bleek voor het computerprogramma geen probleem, en na wat sleutelen werd een open tweezitter op punt gesteld waarmee de jonge Ruddervoordenaar zichzelf over tien jaar wel zag rijden.

De verrassing kwam van artiest Renaat Ramon die zich niet graag bij de bestaande modellen wenste neer te leggen, maar voor een veel persoonlijker benadering opteerde. Gewend als hij is om met geometrische vormen te goochelen, stelde hij een bol als passagiersruimte voor. Dat zorgde tijdens de lunch voor flink wat diskussies omtrent de haal-baarheid. Geometrische figuren waren in het programma niet voorzien, maar eigenlijk wel haalbaar, vond Philippe Delvigne, die zijn medewerkers aanporde om een extra inspanning te doen. Na een klein uur vallen en opstaan leverde de computer een gave bol af waaronder Ramon ook nog vier bolronde wielen „tekende”. Omdat Delvigne van het ontwerpen van realizeerbare auto's wenst uit te gaan, moest weer druk overleg worden gepleegd, en werd voor vier kleine elektrische, in de bolvormige wielen gemonteerde motoren gekozen — een in de praktijk uitgeprobeerd systeem. De wielen zelf werden geïnspireerd op de vormen die men bij kantoorstoelen ziet, en aan elk wiel werd een arm bevestigd die op en neer kan veren, volgens het hydraulische principe dat al meer dan dertig jaar bij Citroën wordt toegepast. Uiteindelijk kwam een alleraardigst voertuig op het scherm met een gave passagiersruimte waarin geen mechanische komponenten werden verwerkt, en die enkel een joystick meekreeg om te sturen. Het Ramon-voorstel zette de ploeg van het ISD ertoe aan om aan het programma dat in Brussel zal worden gebruikt nog een vijftal geometrische vormen toe te voegen.

De Alias-software die het ISD bij zijn experiment gebruikt en meer dan 3 miljoen frank kost, is van Canadese origine en is in grote lijnen dezelfde als zeventig procent van de autokonstrukteurs in hun designstudio's gebruiken. In de praktijk levert het programma schitterende mogelijkheden op, kunnen deelnemers een wat scherpe hoek in een bolronde omtoveren, een motorkap verlengen of juist boller maken en zelfs ontwerpen voor wieldoppen en velgen maken. Het bedienen van zo'n programma is andere koek en daarom brengt Delvigne twee computergrafisten mee naar Brussel. Wie van het medium wil proeven, biedt zich tijdens het autosalon aan op de stand van First Position in paleis 3, vult een fiche in en moet dan maar hopen tot de tien geselekteerden van de dag te behoren.

Pierre Darge
Foto's: Lieve Blancquaert

Uit: Weekend-Knack, nr. 1, 11 januari 1994, p. 24-27

VEELZIJDIG, DOORDACHT, SOBER: RAMON

De meest opvallende sculptuur van de Brugse kunstenaar Renaat Ramon (°1936) zal wel ‘Octogon’ zijn: het monumentale abstracte (gele) beeld dat op de rotonde bij de Brugse Kinepolis prijkt. De geestelijke vader ervan, een uitermate veelzijdig kunstenaar, want ook schilder, graficus, ontwerper, essayist en dichter, loopt relatief zelden in de kijker. Nadat hij in zijn prille jaren als kunstenaar heel wat disciplines en materialen had uitgetest, lijkt discrete tegenwoordigheid zijn handelsmerk geworden. In zijn oeuvre primeren eenvoud, evenwicht, maat en zuiverheid. En toch. Op nogal wat pleinen en in parken treffen we sculpturen aan die aan ‘s mans immer wakkere kop zijn ontsproten. Ook buiten de stad waarvan hij - in een uiteraard sober pand - de rand betrekt. Ramon is een denker, een bedenker, een beeldenmaker. Een verwoed lezer ook en iemand die met woorden speelt en woelt, die woord en beeld graag op een authentieke manier laat samenvallen. Van realisaties en publicaties in de meeste van die disciplines waren we de voorbije tientallen jaren met regelmaat getuige. Uniek en aanstekelijk vonden we bijvoorbeeld een reeks brieven in dichtvorm, gericht aan… figuren uit de Oudheid. Voorts passeren we met regelmaat zijn (gele) ‘Cycloop’ voor het cultureel centrum De Dijk in Brugge en op het plein voor het Zeebrugse strand laat hij een resem imposante (ook al gele) letters Z een ingenieus schaduwspel spelen. Toen jaren geleden bronzen figuratie de stad Brugge er almaar kneuteriger deed uitzien, toonde de tentoonstelling ‘Brugge, monumentaal?’ (in een van de vele ter ziele gegane Brugse galeries) hoe het ook anders zou kunnen. Ramon was van de partij. Samen met kleppers als Martens, Verstockt en Duchateau paste zijn werk zich geruisloos in, in het rijtje van kunstenaars die met sobere sculpturen orde in de beeldenchaos proberen te brengen. Met termen als ‘work in progress of ‘in process’ zijn we onderhand vertrouwd geraakt. Aan Ramon zijn ze echter, denken we, niet besteed. Zijn werk, dat uitsluitend om vierkant, rechthoek, ruit en cirkel en een spaarzaam gamma kleuren gaat, is af. Let wel: vorm, maat en kleur, alles is bij Ramon bedacht en uitgetest. Wiskunde, meetkunde en stereometrie drijven hem tot ultieme vormen en perfecte maten. Op verrukking voor uitgepuurde schoonheid na wordt bij Ramon alle emotie geweerd.

Idem voor zijn poëzie. Vorige zomer nog werd hem op dat domein recht gedaan met een selectie visuele poëzie op de nieuwe versie van de Poëziezomer van Watou. Tot 25 juni stelt Ramon beelden en grafiek tentoon in de Oostendse galerie X-L-Ent-Art. Hij sluit er aan bij een reeks illustere kunstenaars die er, naast ook wat jong talent, eerder de revue passeerden: Alechinsky, Mara, Poot, Raveel, Seuphor… We herinneren ons niet dat Rarnon ooit in het Oostende van Ensor heeft tentoongesteld. Zijn werk heeft ons inziens weinig met dat van Ensor van doen, hoewel Ramon op zijn manier van humor houdt (zelfs performances zijn hem niet vreemd) en met zijn werk in zekere zin consequent oppositie voert, met name tegen de gratuite figuratie die in de wereld van de beeldende kunst sinds vele jaren opnieuw de lakens uitdeelt. Dat de lokale beleidsmensen zich toch maar schrap zetten, want voor ze het weten vallen ze voor zijn kleine, kokette maquette die aan elke monumentale Ramon voorafgaat, om het nog niet te hebben over de talloze schetsen, tekeningen en proeven met kleuren. Trouwens, naast pakweg Grard en Holmens (en waarom niet in de buurt van het casino?) zou een Ramon niet misstaan. Helaas rijzen voor dat casino al bronzen kronkels uit de grond. Ramons werk getuigt niet van engagement. Velen zijn van oordeel dat een kunstenaar zich vandaag niet aan de vele maatschappelijke rotzooi kan onttrekken en daarin een positie hoort in te nemen. Maar misschien zorgt een ‘Ramon’ in deze tijden van onzekerheid wel voor enige houvast. Zijn sculpturen brengen rust en trekken op een serene manier de aandacht. Maar geef hem geen hand of hij neemt je hele arm en hertekent heelder pleinen, zoals hij dat in een ver verleden o.m. voor het Museumplein in Amsterdam deed.

Johan Debruyne
Uit: Zeezo, #08, 2010, p. 4

De Pythagorische Ruimte is zowat het waarmerk van Ramon. Hij realiseerde zijn oorspronkelijke driedimensionale uitwerking van de beroemde stelling in 1982, concipieerde op basis daarvan - niet zonder enige ironie - een Homage to the Trinity (Pythagoras, Mondriaan, Sol Lewitt), bedacht een aantal ludieke, sculpturale en grafische varianten (o.m. als visuele poëzie) en formuleerde tenslotte een afgeleide meetkundige stelling.

De interactie van woord en beeld die Ramons bijzondere belangstelling heeft - zoals blijkt uit zijn essays en visuele poëzie - komt ook tot uiting in zijn land-art projecten als de Kwadratuur van de dood. De tekst Art is need was voor het eerst te lezen - in schrift en spiegelschrift - op een kreek te Assenede in 1995. Was deze installatie te lezen als credo en pamflet - niet zonder betekenis in een tijd die de kunst dood heeft verklaard - het ‘vervolg’ Other art is need getuigt volop van Ramons kritische ironie - een ironie die in haar concrete vormgeving geen concessies doet.

Zijn veelzijdigheid: monumentale sculpturen, schilderijen, reliëfs, seriegrafieën, sneeuwsculpturen, architectuurprojecten, constructivistische installaties, meubelontwerpen, blinddrukken, visuele poëzie, gedichten, aforismen en essays bezorgden Ramon de bijnaam van “de Brugse Leonardo”. Maar in al wat hij doet, blijft de geboren weegschaal Ramon zichzelf getrouw: evenwicht op het scherp van de snede.

Drs. W.P. Dezutter

Alles immers wat deze man maakt is letterlijk en figuurlijk steengoed, en wij moeten met de grootst mogelijke concentratie zijn werk bekijken, anderszins gaat de betekenis ervan aan ons voorbij. Hij beperkt zijn productie tot wat hij als de hoogstnodige eminentie ervan overhoudt. Het belangrijkste, misschien zelfs het enige wat over de kunst van Renaat Ramon kan gezegd worden is dat zij niets anders voorstelt dan zichzelf. Zij mag niet doen denken aan, maar dringt zichzelf integraal aan ons op. Titels komen ons tegemoet maar zijn er zelfs haast te veel aan. Dit is uitgepuurde architectuur van de geest. Zij is nergens aan onderworpen. Zij bezit geen andere functie dan haar eigen voortbestaan. Zij is de verste stap die men in de abstraherende kunst kan zetten. Zij is zelfs geen abstractie meer, enkel nog de versmelting van inhoud en vorm, een plastisch equivalent van wat men in het westen een profane mystiek, in het oosten het nirwana zou kunnen noemen. Deze stigmata van de beeldende katharsis vertonen vreemde momenten en bevroren beweging: twee kubussen houden vier bollen in bedwang: twee ronde schijven staan op kantelen en doen het niet. Op het schaakbord van de artistiek debat met zichzelf doet Renaat Ramon de stugge lopers verschijnen van zijn vormenalfabet, runenschrift om zijn hunker naar de absolute schoonheid te bezweren.

Gaby Gyselen

Als individueel kunstenaar komt Ramon op ons toe en nodigt hij ons uit onze ogen te gebruiken en onze, zo mogelijk onbedorven zin voor de gevoelswaarde van een wenteling, een verschuiving, een verandering van richting, een opduikende primaire kleur tussen wit, grijs en zwart. In Ramons werk hebben de kleinste, de minimaalste ingrepen nog het levensbelang van de daardoor gewekte sensibiliteit. Een diagonaal meer of minder, een omkering, een verwijding of vernauwing, een gewijzigde vlak- of ruimtelijke verdeling, een ‘rokade’, een ‘ingrip’, een ‘insert’ (om zijn titels even te gebruiken) - ze krijgen de waarde, de dimensie van een aardverschuiving binnen de gegeven parameters. Dat het uiteindelijk niet om wiskunde gaat (toch noemde men hem ooit gevat een ‘wiskunstenaar’ en hij brengt ook graag hommages aan Pythagoras en Euclides), maar om de voorrang, het evenwicht van het opgeroepen gevoel (niet het uitgedrukte!), daartoe moeten we ons niet eens beroepen op het suprematisme van Malewitsj, want het behoort tot de grondslagen van deze ogenschijnlijk zo koele kunst.

Ramon - we wezen er al op - vroeg bezig met deze vormenwereld, al vóór G-58 in Antwerpen werd gesticht en toen Michel Seuphor zijn boek over abstracte kunst in Vlaanderen nog moest schrijven en ook de gelijknamige tentoonstelling nog moest worden georganiseerd. Ramon verstoort dus - samen met nog hoogst enkele anderen - de opvatting dat we in Vlaanderen tot de jaren ’60 moesten wachten om de draad van het internationale constructivisme - dat later de invloed van de Minimal Art zal ondergaan - weer te zien opnemen. Rekening houdend met de weerstand in Vlaanderen, zowel wat de media als de kunstpromotie en de aankooppolitiek van toen betrof, kan het een daad van moed worden genoemd om zo consequent de eigen idee erdoor te drukken en te realiseren.

Wim Meewis

Voorstellingstoespraak Renaat Ramon
Tentoonstelling Oostduinkerke, 1 november 2007

In zijn magistrale essayboek ‘Herontdekking van een continent’ schrijft André Brink, uiteraard met voor ogen de niet steeds even hoopvolle situatie in zijn geboorteland Zuid-Afrika, o.m. het volgende over het belang van kunst in de samenleving:

‘Het erkennen van onze behoefte aan kunst betekent niet het onderschatten van het belang van de eerste levensbehoeften voor mensen, van vrijheid, van de mogelijkheid hun lot te verbeteren: het is niet meer dan de erkenning dat de mensheid ook betekenis nodig heeft, of in ieder geval, de kans om naar betekenis te zoeken.’

Centraal in Brinks beschouwing staat het woord ‘betekenis’: vanuit het teken – een taalteken, een beeldteken – zin geven aan wat mensen drijft en bekommert.
Zijn uitspraak vat binnen de context van een maxime samen wat Renaat Ramon in zijn artistiek oeuvre voor ogen heeft.

Ramons oeuvre, dat zich langs wegen van geleidelijkheid heeft ontwikkeld tot een in de moderne kunst al te zeldzaam blijvende perfectie die steeds wordt nagestreefd, valt niet onder één noemer samen te vatten, tenzij misschien deze ene: tegen de dictatuur van de werkelijkheid in – een soort dictatuur die thans in de media schrikbarende vormen heeft aangenomen – tegen de dwingende eis van de herkenbaarheid in ontwerpt Ramon zijn eigen beeldtaal, die erop gericht is uit te spreken wat ‘achter’ de dingen ligt. Het is deze gedrevenheid, die de weg zoekt voorbij de anekdotiek, die maakt dat zijn werken ons uitnodigen te ‘zien’, naar de diepte toe te gaan, zoals Octavio Paz het uitdrukt in een van zijn gedichten:

De onwerkelijkheid van het geziene
verleent werkelijkheid aan het zien

Als dichter én als beeldend kunstenaar – twee disciplines die via de eigenheid van de visuele poëzie – waarvan hier ook een aantal voorbeelden worden getoond - nauw met elkaar verbonden zijn en de veelzijdigheid illustreren van zijn creatieve zoektocht – blijft hij, wars van alle stromingen en vluchtige trends, bij die ene regel die hem altijd voor ogen blijft staan: die van de originaliteit. Woord en materie (van marmer en graniet tot staal) spreken in zijn werk hun eigen taal, de taal waarin hij communiceert met zijn toehoorders en/of toeschouwers.

In zijn dichtbundel ‘Rebuten’, verschenen in 2004, richt de dichter Renaat Ramon zich op eenbepaald ogenblik tot Lucilius Balbus, een van de deelnemers aan Cicero’s dispuut ‘De Goden’. Het gedicht vangt zo aan:

Ook jij, Balbus, prijst de schoonheid
de maat die in de mensen ligt
en de orde die de goden hebben gewild
maat, rede en evenwicht.

De drie-eenheid – maat, orde en evenwicht – vormt het substraat van Ramons beeldend werk. In hun ruimtelijkheid, geconcipieerd vanuit de dialoog tussen de geometrische vormen (bol, vierkant, cilinder, kubus, ovaal en balk) vertellen de beelden geen individueel verhaal, maar worden ze verhaal: het verhaal van een onstoffelijke wereld die er is en er altijd zal zijn.
Binnen deze optiek bieden de Ramon-structuren een rustpunt voor de toeschouwer die in een samenleving die juist steeds jachtiger en ongeduriger wordt, op zoek is naar een diepere vorm van zingeving.
In het gastenboek waarin bezoekers aan de net afgelopen expositie van Renaat Ramon in De Spil in Roeselare hun indrukken konden noteren, las ik deze treffende uitspraak: ‘Mede door de soberheid die je beelden uitstralen, nodigen ze uit tot stilstand.’
Een rake typering die het werk ook echt recht doet. De troost van de schoonheid, van de harmonie en het evenwicht. Of, zoals de Nederlandse auteur Jan Brokken het ooit schreef in zijn verhaal ‘Het laantje naar de leegte’: Als kunst goed is, troost het; dat is, denk ik, de enige functie van kunst.’

Dat gegeven kan niemand onberoerd laten. Ramons creativiteit berust op het vermogen tot herontdekken. Een herbronnen van wat op het eerste gezicht voor de hand ligt, de ruimtelijke vormen waaraan we in de dagdagelijkse omstandigheden van ons leven nauwelijks nog aandacht besteden.

In zijn gedicht ‘Leeftocht’ uit 1992 verwoordt hij zijn artistiek credo als volgt:

Behalve deze woorden
en enkele cijfers
heb ik geen middelen
van bestaan.
En ook geen reden.

De cijfers, de wiskundige en meetkundige vormen die in hun onderlinge samenhang en via een geraffineerd aanwenden van en omgaan met de kleur een fascinerend spel van lijn en licht opvoeren binnen de wisselwerking van materie en vorm: dat zijn de elementen waarvoor wij als toeschouwer oog dienen te hebben en waarvoor wij ons moeten weten open te stellen.

In de verzelfstandiging van zijn vormentaal – zijn ‘Idioom’, met een verwijzing naar het hier geëxposeerde schilderij, voor mij een van de meest treffende werken die hier zijn bijeengebracht – in zijn vormentaal gaat Ramon in wezen nooit gratuit te werk. Initieel blijft voor hem de doelstelling orde te scheppen in de chaos, evenwicht te zoeken als contrapunt voor een samenleving waar houvast en zekerheid grotendeels ontbreken.

Vaak ook herkent de toeschouwer een minieme vorm van anekdotiek. Niet de anekdote om de anekdote, maar - ook weer typerend voor het werk van Ramon – de anekdote die perspectieven opent op een bredere, vaak zelfs een andere werkelijkheid.
Wie het hier getoonde werk ‘Polis’ bekijkt, deZ-sculptuur – de kleine versie overigens van het monumentale werk dat in Zeebrugge prijkt – kan het werk lezen vanuit de verwijzing naar de stad Zeebrugge, naar zee, zand en zon, maar ook ‘ZIN’….
Wat primeert, is dan weer de totaalstructuur van het concept, waarin lijnen elkaar gaan opzoeken en in een subtiel ontworpen evenwicht houden.

Of neem het werk ‘Agora’: de in Carrara-marmer opgerichte stèles die vanuit de betekenis van het Griekse woord ‘agora’ een beeld zouden kunnen oproepen van een marktplein omgeven door zuilen (een verwijzing naar de Stoa, de zuilengang waar in de Oudheid filosofie werd bedreven), maar ook hier overstijgt het werk weer de directe relatie met een herkenbaar gegeven: de zuilen zijn fiere getuigen van een gedragen en doorleefd kunstenaarschap.

Ik blijf ervan overtuigd, dames en heren, dat wij hoe dan ook, geconfronteerd met het werk van Renaat Ramon, blijvend dienen te beseffen dat verklaren ook verliezen betekent.

Ik laat hier aan het slot de kunstenaar zelf aan het woord. In zijn meest recente dichtbundel ‘Geheim Besogne’, verschenen in 2006, staat een gedicht dat als titel meekreeg: ‘Opera’. Niet het muziekdrama wordt bedoeld, wel de ‘werken’, het gehele opus dat zich ontplooit in zovele ‘opera’, elk nieuw kunstwerk als stapsteen naar het volgende, want, zo ervaar ik het persoonlijk, Ramon blijft zichzelf door de vernieuwing heen.

Het gedicht luidt zo:
Alleen orde is eeuwig.
Man en vrouw
heb ik tot een sluitende cirkel verbogen,
van man en vrouw
een vierkant gemaakt –
zo kan ik werken
op de maat der mensen
als de vader der oorzaak,
door woorden bewoond
en door cijfers getekend.

Ik buig,
martel de metalen
luister
naar het kruien van keelklanken,
de woorden wentelend
in het vuur.

En zwijg –
want niet alles
mag voor de dag
een naam hebben.

Een ‘testimonium artis’, zo wil ik dit gedicht omschrijven. Een getuigenis ook van de bescheidenheid die ieder groot artiest kenmerkt: ‘ik zwijg / want niet alles / mag voor de dag / een naam hebben.’

Jooris van Hulle

Ramon is een dichter die met wiskundige wetmatigheden en geometrische vormen een puur intellectuele, mathematische en concrete schoonheid nastreeft, een louter esthetische ontroering, ver van alle sentimenten. Exactheid is dan ook het enige juiste woord om het beeldhouwwerk van Renaat Ramon mee aan te duiden, en ieder van zijn sculpturen moet gezien worden als een autonoom kunstwerk, een in zichzelf gesloten en besloten entiteit, vrij van toevalligheden en los van de maker.

Daniël van Ryssel

Elk beeldhouwwerk van Ramon staat als een Ramonoliet van meditatie in het artistieke landschap, herhaalt zijn zijn en zin in een Ramonologue intérieur, vraagt van de kijker geen filosofische beschouwingen, maar enkel een poging om het te bekijken met de ogen van de kunstenaar zelf, zo nodig met een Ramonocle.

Elk beeldhouwwerk van Ramon
is als een ijsberg:
het kleinste gedeelte is zichtbaar
(het materiële),
het grootste gedeelte is onzichtbaar
(het geestelijke).

Een beeld van kil staal,
koel becijferd, koud gelast.
Daarop een vlinder.

Niets is gemakkelijker
dan een cilinder en een bol
aan elkaar lassen
en de kijker de vrije keuze laten
om het geheel te interpreteren
als een obelisk, totem, dolmen, robot
of wat dan ook.
Niets is moeilijker
dan een cilinder en een bol
aan elkaar lassen,
zodat er voor de kijker
geen andere interpretatie mogelijk is dan:
cilinder met bol.

Herwig Verleyen

Reflecties op zijn Poëzie

Uit: Archipel, nr. 25, 2007, p. 11-31

Renaat Ramon, le Renaissant

Rebuten (Rebuts), recueil publié par Renaat Ramon en 2004, est un ensemble de 35 épîtres, 35 lettres poèmes adressées à des hommes du monde antique. Le classement alphabétique, - la première épître s'adresse à Archytas de Tarente, la dernière à Xénophane de Colophon -, invite expressément à ne pas rechercher un itinéraire linéaire, mais à concevoir le tout comme univers global, dont chaque poème est une touche particulière.

Le dialogue, établi par cet artiste d’aujourd’hui avec le monde antique, est évidemment paradoxal, puisque ses lettres ne peuvent recevoir de réponse, tous les destinataires étant morts depuis longtemps ; le mot « rebut » signifie d’ailleurs, entre autres, le courrier que la poste ne peut distribuer faute de correspondant. C’est donc une entreprise hardie autant qu’insolite. En plus d’un corps à corps fécond, qui doit revitaliser dans le présent ce que la culture européenne a connu de plus haut, c’est aussi un parti pris décidé de contrecarrer le pouvoir anéantissant du temps. Certaine lettre s’adresse à un homme dont seul le nom subsiste dans un texte ; certaine autre interroge le destinataire sur l’existence possible d’un inconnu qui porterait le même nom...

Renaat Ramon a eu la chance de découvrir la Grèce antique, non pas sur les bancs d'école en ânonnant les verbes en µ?, mais au cours du premier voyage qui le mena sur place, dans un contact vécu immédiat, un grand coup de cœur d'artiste, frappé d'admiration devant ce qui subsiste de toute cette grandeur et beauté disparues. Le professeur et la Sirène de Lampedusa a montré ce qui séparera toujours l’approche purement philologique d’une connaissance vécue du monde ancien, seule efficace en matière de création. Spécialiste incontesté de la prosodie ionique, ce Professeur fut durant peu de temps, au cœur d’un torride été sicilien, l’amant aimé d’une Sirène, fille de Calliope. Et il se gausse de ses collègues savantissimes, qui croient tout savoir du grec ancien sans en avoir aucune expérience vivante ...

Le premier contact de Renaat Ramon avec la Grèce reste le vrai point de départ de Rebuten. Depuis il s'est intéressé à tout ce qui concernait ce monde évanoui; il s'est mis à lire ou plutôt à dévorer tout ce qu'il trouvait en chemin et c’est beaucoup car, la liste des 35 le prouve, comme l'homme grec, lui-même ne se limite pas à une spécialité, mais s'intéresse simultanément à beaucoup de choses différentes. Renaat Ramon est poète, essayiste, sculpteur, dessinateur, concepteur de meubles, d’une auto futuriste... Véritable homme orchestre de la pensée et des arts, il s’est choisi des interlocuteurs en fonction de ses intérêts multiples. Appartenant tous au monde grec ancien et latin, ils sont philosophes, écrivains, artistes, hommes de science, ascètes chrétiens. Dans le choix on distingue une certaine préférence pour ceux qui, comme lui, ne se sont pas limités à l’exercice d’une seule activité.

Dans Rebuten l'héritage de la Grèce antique est repris en charge par un artiste, qui, après s'en être nourri et délecté, le réinvente comme seul l’art le peut. Exprimé dans une forme, dont le rythme syncopé très allègre vient de ce que Renaat Ramon s'est longuement exercé aux audaces poétiques les plus modernistes, ce dialogue au-delà du temps avec le monde des Anciens, lui rend une vie contemporaine des plus excitantes pour l'esprit.

Lire ce recueil suppose une culture traditionnelle devenue rare, ce qui peut parfois entraver la lecture. L’auteur y a remédié en recourrant aux moyens de communication devenus plus habituels. Une liste de courtes notes biographiques, signalant pour les 35 personnages juste ce qui importe pour comprendre les poèmes, est placée sur son site Internet, vers lequel le lecteur est invité à se rendre. Cela permet d’ailleurs d’y découvrir de nombreuses images - dessins, sculptures, objets multiples -, où des motifs grecs antiques sont repris dans des réalisations actuelles. Passé fort éloigné et modernité en pointe se complètent fort heureusement ainsi.

Nous avons retenu deux épîtres, classées à la première lettre de l’alphabet. Heureux hasard, elles s’adressent à deux des plus brillants personnages parmi toute cette intéressante compagnie. Texte et traduction sont précédés ici de la courte notice qui leur est consacrée sur le site Internet www.renaatramon.be. .


Aan Archytas van Tarente

Niets lijkt ons boeiender, o Archytas,
dan het stapelen van cijfers, of het zou
het indelen van getallen moeten zijn,
het paren van even en oneven – of
het sleutelen aan het Delisch probleem.
Cijfers sterven niet, en is een welgevormde
formule niet mooier dan een gewelfde vrouw?
Je hebt de hemel gemeten, Archytas,
het zand en de zee; een vederloze
vogel gebouwd uit het taaie hout
van de tamarinde – een vogel
die alleen op jouw bevelen vloog.
Toch was je ook strateeg, gekozen
tot zeven keren toe, al wist je,
ook toen al, hoe nutteloos vechten is –
zoals je ook wist dat er geen onvoorzien
toeval is en dat een vogel nooit
verder dan zijn vleugels vliegt, Archytas.


A Archytas de Tarente

Rien de plus passionnant, ô Archytas,
que d’empiler des chiffres, à moins que
ce ne soit de diviser les nombres,
d’apparier pair et impair – ou
d’affiner le problème délien.
Les chiffres ne meurent pas et une formule parfaite
n’est-elle pas plus belle qu’une femme bien tournée ?
Tu as mesuré le ciel, Archytas,
le sable et la mer ; fabriqué, sans plumes,
un oiseau dans le bois rugueux
du tamarinier –un oiseau
qui ne s’envolait que sur ton ordre
Et tu fus stratège aussi, élu
jusques à sept fois, or tu savais
alors déjà, combien combattre est vain -
comme tu savais qu’il n’y a de hasard
imprévisible et que l’oiseau jamais
ne vole au-delà d’où portent ses ailes, Archytas.


Aan Aristarchos van Samos

Je weet, Aristarchos,
dat ik van alle Grieken houd,
niet het minst van de brede
bronzen mannen die uit Samos
komen, zoals jij, glanzend
als olijven en gelaafd
met de blanke roemrijke wijn.
Maar van alle Grieken,
Aristarchos, bewonder ik jou
het meest. Jij toch hebt,
vóór alle anderen, vóór Seleukos
van Babylon, gezien hoe de zaken
er werkelijk voor stonden. Jij
liet je niet verblinden door de zon,
niet door gezag,
niet door de aarde
en ook niet door de grote Hera
wier beeld Cheramydes
in marmer heeft gebeiteld.
Aristarchos –
niet de goden heb je beledigd,
maar de mensen.
Jij bleef bij je mening – nee,
niet bij je mening,
bij je wetenschap.
Beter ware het geweest
Homeros uit Homeros
te verklaren – dat
ergert niemand


A Aristarque de Samos

Aristarque, tu connais
mon amour pour tous les Grecs,
surtout pour ces puissants
hommes de bronze, venus de Samos
comme toi, brillants
tels des olives, abreuvés
du vin blanc si renommé.
Mais de tous les Grecs c’est toi,
Aristarque, que j'admire
le plus. Toi, qui réussis
avant tous les autres, avant Séleucos
de Babylone, à saisir
la réalité vraie des choses. Toi,
le soleil n'a pu t'aveugler
ni le pouvoir
ni la terre
ni la grande Héra non plus,
dont Cheramides a sculpté
la figure en marbre.
Aristarque-
tu n'as pas offensé les dieux,
mais les gens.
Tu as maintenu ton opinion, -non !
pas ton opinion
mais ta science.
Expliquer
Homère par Homère
eut bien mieux valu. Voilà
qui n'irrite personne.


Tout-puissants étrangers, inévitables astres
Qui daignez faire luire au lointain temporel
Je ne sais quoi de pur et de surnaturel ;
Vous qui dans les mortels plongez jusqu’aux larmes
Ces souverains éclats, ces invisibles armes,
Et les élancements de votre éternité,
Je suis seule avec vous...

Paul Valéry, La jeune Parque


Geheim besogne (Secrète besogne), recueil qui vient de paraître, accomplit l'aventure spirituelle inaugurée par Renaat Ramon dans Rebuten. A l’exemple des Anciens, puissamment ressuscités par son interrogation passionnée, il s’agit désormais pour lui, poète d’aujourd’hui, de capter « la réalité vraie des choses », comme il a loué Aristarque de l’avoir tenté en son temps.

Geheim besogne cherche réponse au "qui suis-je?" de l’être fini confronté à l’infini. Tâche surhumaine d'un humain qui se sait mortel - ô combien mortel. L’immensité indicible qui s’ouvre à pareille interrogation n’est plus ici la vision de millénaires écoulés, mais l’illimité des espaces interstellaires. Les Anciens y reconnaissaient leurs dieux, dont les noms servent aujourd'hui aux astronomes pour baptiser leurs plus récentes découvertes. Cet effort humain/surhumain est la Geheim besogne, tâche ordinaire mais cachée des meilleurs artistes. Et à chaque génération ils doivent la recommencer. En exergue d’une des parties du recueil, Renaat Ramon a inscrit un aphorisme, emprunté à Alain Germoz dans Le chat de Schrödinger:

Tout est à refaire, c’est-à-dire reste à faire.

D’entrée de jeu, on assiste à une embardée décisive vers l'infini. Dans
Vigilie (Vigile), se manifeste un violent mouvement d’élévation vers un
paradis non encore atteint :

Ik voelde mij verheven, in de nabijheid
van het paradijs – de wateren van Gods toorn
hadden mij nog niet bereikt.

Alors naît l’espoir et l’attente de dieux à venir:


Er was een krans om de maan
die nacht en een zeer zacht
ritselen van regen, alsof er een god
in aantocht was, en ik wentelde
in een achtbaan als in een teken
van de eeuwigheid. Ongeboren sterren
werden zichtbaar onder de gordel van Orion
en het zachte wieken van de zwaan.
Alle goden verzamelden onder een zilveren
kleed en alle leven was verweven met de wind…

* de wind heeft de oude goden
verdreven. Waakzaam blijven:
nieuwe komen aangewaaid...


L’ascension du poète vers l’éther peuplé de dieux en gestation implique le risque de chute :


De hemel was met weekdieren bewolkt
en de balloons ademden durf en eeuwigheid.
Spoorslags was ik ten hemel gestegen
op een licht, gevleugeld, heilig ding.

* Tot ik plotsklaps, in vrije val,
heel diep door mijn dubbele bodem zakte
want hoogmoed komt altijd vóór de val


L’ascension vers l’éther gros de divinités, et la brutale retombée sur terre, n’entraînent pourtant aucune dévalorisation de cette Terre. Il n’y a pas romantisme d’évasion ici, mais, sans aucune renonciation à l’éternité, totale acceptation d’une réalité qui s’est révélée paradoxale. Cette position fondamentale est formulée de façon saisissante en deux vers d’une extrême concision :

Want alleen orde is eeuwig,
maar ook Chaos is een god.

Car l’ordre seul est éternel,
mais Chaos est un dieu aussi.


L’acceptation résolue de ce que le poète de Geheim besogne a découvert être « la réalité vraie des choses » a pour principale conséquence de donner pleine valeur à l’aventure humaine:

Het is goed hier te zijn,
orde te scheppen, bomen te bouwen,
takken te leiden, knopen te snoeien
en te meten met de maat der mensen.


Le caractère essentiellement paradoxal de la réalité se marque aussi dans la création de l’artiste. Deux poèmes, cités ici en leur entier, montrent comment, au cœur de son travail, se manifeste la tension entre l’ordre éternel et le dieu Chaos. . Opera met l’accent sur sa tâche d’ordonnateur:

Alleen orde is eeuwig.
Man en vrouw
heb ik tot een sluitende cirkel verbogen,
van man en vrouw
een vierkant gemaakt-
zo kan ik werken
op de maat der mensen
als de vader der oorzaak,
door woorden bewoond
en door cijfers getekend.


Genesis b fait apercevoir, en contrepoint, cet effort d’ordonner très strictement le réel, transgressé par des manifestations intempestives du chaotique, qui libèrent le divin.

September: de tijd is rijp voor een Schepping.
Laten wij het zwijgend doen, woordeloos.
Trekken wij dus een lijn op een A4;
noemen wij deze rechte ab
(Ariël, Beëlzebub, Belial?)
: zo verdelen wij, en heersen.


Tekenen wij nu een as van symmetrie
op de gegeven rechte.
(Daar is het kruis alweer, het dolkteken;
de lasten die wij zullen moeten dragen.)
Laat vervolgens het assenstelsel wentelen
tot er door de hoge snelheid
een spiraal ontstaat.
Rust daarna, en heb vertrouwen
in de wet van de Eeuwige Wederkeer.


Déchiffreur d'énigmes, - tâche réservée par Nietzsche au poète -, Renaat Ramon rend leur noblesse aux Lettres flamandes, trop souvent avilies par un néo-naturalisme grossier, appauvries par de stériles ratiocinations idéologiques. La poésie chez lui est ramenée à sa vraie fonction : oser imaginer l'impensable. Là où s'arrête toute connaissance rationnelle. A cette pointe extrême des avancées mathématiques, qui depuis Heisenberg d’ailleurs ont si bien troué l'infini, qu'il va de soi désormais que Dieu s’amuse à jouer aux dés. Tout ne naît-il pas du jeu de l'enfant dieu d'Héraclite ? La "secrète besogne" du poète étant précisément de jouer à sa suite et tout comme lui.


Agnes Caers

Uit: Niewzuid #, nr. 24, 2006, p.38-46.

Ramon tussen de Tiber en de Acheron

De oneindige wade van Penelope.
De cyclische tijd van de stoïcijnen.
Het geldstuk in de mond van de gestorvene.
Jorge Luis Borges, in De oorzaken

Nietzsche vertelt in ‘Homerus’ strijd’ (1872) dat toen de reizende Pausanias op zijn zwerftocht door Griekenland een bezoek bracht aan de Helicon, men hem een oeroud exemplaar van het eerste leerdicht van de Grieken liet zien, de Werken en dagen van Hesodius , ‘ op loden platen gegrift en door de tand des tijds en het weer sterk aangevreten.‘ (1) En ook Marguerite Yourcenar verwijst in haar Carnets de notes de “Mémoires d’Hadrien” even naar de vermaarde Griekse ontdekkingsreiziger en schrijver Pausanias die ons leerde dat keizer Hadrianus in de herfst van het jaar 124 de graftombe van Epaminondas liet oplichten en er een gedicht in schreef.
Na de lectuur van zijn Rebuten (2) weten we dat ook Ramon op zijn beurt de Helicon heeft bezocht. Maar bij Gottfried Benn lezen we, wat al eens vergeten wordt, dat ‘de antieke samenleving op het gebeente van slaven rustte’ (3). Hoe dan ook, zowel Nietzsche als Benn stonden graag op het hoge kale rotsgesteente waartegen de wortels van onze westerse beschaving groeiden.
Renaat Ramon heeft nu amper de leeftijd bereikt waarop men in het antieke Rome voor senex doorging. En nu de vergrijzing in dit oude, overbevolkte en vermoeide Europa een algemeen aanvaard maatschappelijk feit is geworden, wordt het hoog tijd dat wij de mening van Ernest Renan respecteren die beweerde dat bijna niemand voor de leeftijd van veertig jaar een literair werk van enig belang schrijft. Grijswijze ouderlingen als J.M. Coetzee, George Steiner en Amos Oz en dichter bij ons iemand als Hubert van Herreweghen en andere voorgangers in de tempel van de tijd (Borges en Yourcenar) hebben deze uitspraak van Renan op onnavolgbare wijze aangetoond en bevestigd.
De heisa in de media rondom de Franse schrijver Michel Houellebecq doet velen allicht vergeten dat deze Houellebecq eerst een onbekend auteur is geweest van koele gedichten en koele als met een scalpel uitgesneden essays, o.m. over P.H. Lovecraft (Contre le monde, contre la vie, Monaco : Éditions du Rocher, 1991) en andere hoogst merkwaardige essays die gebundeld werden in Rester vivant et autres textes (Éditions de la Différence, ook in 1991), waarin hij een aantal persoonlijke stellingen poneerde die als een soort van poëtica kunnen fungeren en dit dan vooral in de essays : ‘D’abord, La souffrance’, ‘Articuler’ en ‘Survivre’ dat aanvangt met de eerder simpel lijkende zin : ‘Un poète mort n’écrit plus. D’où l’importance de rester vivant.’ Of de al heel wat minder simpel lijkende zin uit het eerste essay : ‘La première démarche poétique consiste à remonter à l’origine. À savoir : la souffrance.’ Ramon beantwoordt aan beide vereisten : hij is in leven gebleven en is bij het bedenken en componeren van deze dichtbundel met vijfendertig telegram- of briefgedichten teruggegaan naar onze oorsprong in Athene en Antiochië, naar Brundisium en Efese en naar de eilanden Delos, Lesbos, Milos (waar hij alleen in gedachten is geweest), Patmos en Samos, waar het lijden aan het begin der tijden al begonnen was. Want ook Ramon weet, na een lang en vruchtbaar leven, wat hij niet echt vrezen moet : ‘N’ayez pas peur du bonheur ; il n’existe pas. ‘ Patrick Lateur, de graecus met de grijze wuivende haardos die de vijfenveertig Zegezangen van Pindaros in een helder Nederlands vertaalde, opent zijn inleiding De zanger van Hellas met de terechte bedenking : ‘Het landschap van de archaïsche lyriek lijkt op een streek die door een orkaan werd geteisterd. Wat overblijft zijn vaak schitterende brokstukken van poëtische bouwwerken die zelfs na fragmentatie iets laten vermoeden van hun ongemene rijkdom. ‘ (4)
Wie zomaar lukraak een boek van Marguerite Yourcenar uit de boekenkast haalt, vindt vooral in La couronne et la lyre (1979) , een in het Frans vertaalde bloemlezing van Griekse antieke dichters, de glinstering terug van deze brokstukken. En uiteraard vallen nog altijd vele grote schrijvers terug op de Ouden en die hele mediterrane wereld die niet altijd zo zonnig en zo vredig was en wel meer bloederige monsters heeft gekend dan wij ons nu eenmaal graag willen voorstellen. En de lezer vergeve mij deze parafrase, maar ook het landschap van Ramons lyriek lijkt hier op een Helleense wereld die door de orkaan van de tijd werd geteisterd en wordt dan ook bijna hoofdzakelijk door ketters en andere in ongenade gevallen figuren bevolkt. Met nog brandende rivieren in ‘Aan Palamedes’ :


Laat je bekransen met twijgen van peppels,
Palamedes, en waak, ook jij,
aan de boorden van de brandende rivier.


Met demonen en goden als schaduwen en maskers onder een verblindende zon in ‘Aan Euagrios van Pontos’ :

Je hebt een plaats uitgezocht, Euagrios,
waarvan je zeker wist dat de zon er stil
zou staan, een uitgelezen oord voor het ultieme
gevecht met je demonen : in Lybië
is de middag een eindeloos deel van de hel.

Ook wat overblijft in Ramons helemaal niet saaie en retorische monologen of levendige briefgedichten zonder al te veel culturele ballast, komt, door zijn voorkeur voor het conciese en de metafysische poëten gevaarlijk dicht bij die schitterende brokstukken die als het ware slechts fragmenten lijken te zijn. En wat Cioran stelde over de filosofie : ‘Je crois que la philosophie n’est plus possible qu’en tant que fragment. Sous forme d’explosion. ’ kan ook gelden (vervang filosofie door poëzie) voor de al dan niet postmoderne poëzie. Ramon neemt altijd voor alles graag de rust en de ruimte en wat meer is : zoals in een tragedie van Sofokles verdedigt Ramon de wetten van het persoonlijke geweten tegen de valse gerechtigheid van de menselijke wetten van dorhartigen. Want hij stelt het in zijn rebuten onomwonden (elk briefgedicht eindigt trouwens met een zeer saillante pointe) : een God van liefde vonnist niet.
En zijn brief ‘Aan Thoukydides’ (Ramon gebruikt hier de schrijfwijze van een graecus) begint heel lyrisch met het golven van het graan, maar eindigt met het sublieme zien van zijn eigen Afrodite (torse nu schrijft deze ironiserende, maar niet cynische dichter) en het voelen van hoe een doorn steekt in eigen vlees.
Wat dreef de mysterieuze maar helemaal niet zo hermetische dichter Ramon tot het schrijven van deze wel afgewogen brieven ? Ik denk dat ik het weet : Ramon zocht en vond hier een aantal belangrijke en kleurrijke gespreksgenoten. Want in ‘Aan Aristarchos van Samos’ bekent Ramon weliswaar gretig en graag dat hij van alle Grieken houdt, maar toch deze Aristarchos het meest bewondert. Zijn brieven zijn echter meestal gericht aan eerder onbekende of geheel vergeten (de drie meest bekenden zijn ongetwijfeld de gematigde epicurist Horatius, de apostel Johannes van Efese en de geschiedschrijver Thucydides) adressaten in Hellas en daarbuiten. Deze adressaten of correspondenten kunnen post mortem helaas niet meer antwoorden op of weerspreken wat Ramon binnen de ruimte van één beschreven blad van hen bewaarde en verklaarde. En toch gaat de dichter de dialoog aan met deze - dit keer niet geometrische - historische figuren (van Archytas van Tarente tot Xenofanes van Kolofon), maar bovendien gaat hij ook nog een dialoog aan met zijn huidige lezers en tijdgenoten die in deze gedichten worden geconfronteerd met een aantal magnifieke marginalen van de oudheid en zijn lezers worden gedwongen tot louterende studie en lessen. De afstand of de afgrond van twintig en meer eeuwen weerhield de ascetische Ramon niet, in tegendeel, en ook de chronologie of de ‘brandende actualiteit’ kan deze durvende denker en dichter niet weerhouden om in zijn eigen traag, maar waardig tempo de tempel(s) van zijn voorkeur te betreden. Bovendien krijg je als lezer de stellige indruk dat deze dichter elk woord en elk beeld bij zijn terugkeer in de stilte van zijn Brugse woning (veel glas en veel natuursteen) eerst lang gewogen en overwogen heeft.
Het langste gedicht is misschien ook het meest indrukwekkende en het is gericht aan Titius Cassius Severus en eindigt aldus : ‘En toch, Cassius Severus, / ook nu nog : als jij spreekt wordt het heel stil / aan de boorden van de Tiber, stiller nog / dan aan de oevers van Acheron. ‘
In de Nederlandse letteren waren het de beruchte brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot u waardoor Gerard Reve in de zestiger jaren van de vorige eeuw plots een ruime bekendheid genoot. En de briefroman, of beter de telegramroman Black box ( vert. 1989) van Amos Oz blijft een geniaal meesterwerk. Maar het genre van het briefgedicht, dat in de Latijnse literatuur populair was, is in deze tijden van turbotaal en digitale berichten eerder ongewoon en dus onmodieus.
Zoals ook ik ooit het eiland Ameland doorkruiste om te controleren of alles wel degelijk klopte met mijn verbeelding in de elf gedichten van mijn ode aan Friesland, zo reisde Renaat Ramon, niet als toerist of als zonneaanbidder, want ook deze Ramon laat zich zeker niet verblinden door de zon! En ook niet als afgevaardigde van de Delisch-Attische Zeebond, maar als een soort van hogere culturele controleur reisde Ramon een paar jaar geleden naar het eiland Delos en de Griekse wateren om te controleren of de afmetingen van de in de zon schitterende tempels, amfitheaters, gedenkstenen en andere restanten of al dan niet gerestaureerde ruïnes wel degelijk de juiste afmetingen hadden en vooral, zo vermoed ik, om ook de afglans van dit alles nog eens zelf met eigen ogen te zien en te bewonderen.
En ja hoor, Ramon kon vaststellen wat Plutarchos eerder had opgemerkt : ‘Ieder werk was in zijn schoonheid reeds op het moment zelf onmiddellijk antiek, maar in zijn kracht tot op heden fris en nieuw.’
In 35 - met Romeinse cijfers genummerde even getallen, want ‘Even getallen/ zijn door mensen gemaakt ; / Oneven getallen / Zijn door Gods hand geraakt.’ (5) van VI tot LXXIV – briefgedichten rastert de aforisticus, beeldhouwer, dichter, erudiet essayist, memorialist en ontwerper Renaat Ramon (°Brugge, 1936) de hele antieke wereld. Of beter nog : zijn antieke wereld. En dit resulteert in een reeks evocaties en portretten die het wezen van al deze denkers en andere kwelgeesten, ketters, poëten, profeten, zieners, zangers en wijzen weergeven. En door Ramon ook opnieuw als nog altijd levende persoonlijkheden met al hun dwalingen en andere heerlijke scherpzinnigheden onder onze aandacht worden gebracht. Deze rebuten gericht aan al deze historische personen (aanvankelijk dacht ik zelfs dat Ramon, zoals Borges ook wel eens durfde, een aantal figuren had verzonnen) zijn geen portretten van een portrettengalerij, maar vormen een reeks van missiven waarin Ramon wel scherp oordeelt (en observeert) en weegt, maar niet veroordeelt. Met misschien één schitterende uitzondering en dit dan nog in ‘Aan Quintus Horatius Flaccus’ waar Ramon aan het eind op een bijna vaderlijke, maar zacht vermanende manier toch nog zijn niet lichte ontgoocheling uitdrukt :

Je bent een groot dichter, Horatius,
Maar dit valt me tegen van je : je prijst
de middelmaat, de vroomheid en de keizer.


Rebuten zijn helaas onbestelbare brieven (misschien zoals een fles met een noodkreet in zee wordt gegooid) die na een tijdje in een speciaal daartoe bestemd kantoor van rebuten op een hoop worden gegooid. Maar hier in het geval van Ramon ligt de merkwaardige originaliteit in het feit dat hij als brievenschrijver al bij voorbaat wist dat zijn correspondenten niet konden antwoorden, niet zozeer omdat zij dus niet over een postbus, een correct postadres of een domicilie beschikten, maar omdat zij nu eenmaal al eeuwen en eeuwen rondwaren op de Elyzeese Velden en dus voorgoed bij Hades zijn. Eén voorbeeld van zo’n brief of missive kan allicht beter de originaliteit expliceren en illustreren. Het gaat om de brief of het poststuk (XXX) gericht aan Gaius Sallustius Crispus :

Je levenswandel is niet onbesproken,
waarde Sallustius, en men laat niet na
te vertellen dat je van plebejische afkomst
bent, rijk, maar toch: een man uit de heffe des volks,
ooit de harde gouverneur van het Numidische
wingewest. Maar je wordt benijd, Sallustius,
geprezen om je stijl die strak en bondig
heet te zijn, en nog wijst men de heuvel aan,
de verheven residentie die je liet
neerzien op het volk, op het gejammer
en de vreugde, op de wandaden
van de patriciërs, op de parade
van de cohorten. Ja, we gaan luchtharig door
het leven als door een vreemd land, Sallustius,
maar we weten het: stervend nog dragen
de rebellen een masker van overmoed –
en de horigen schrijven geschiedenis.

En zo schuilt in elke brief - want als aforisticus is Ramon geen sofist maar wel een geheime moralist - elke keer weer een bedenking, een constatering of een portrettering die op een scherpe pointe met een vermaning eindigt. Hier wordt dus door Ramon absoluut niet gemoraliseerd. Nee, hier wordt helder en lucide becommentarieerd en nagedacht over alles wat door deze meestal onorthodoxe geesten werd gedacht en beweerd. Zo begint de missive aan Satournilos (poststuk LXII) met een verwerping van een tot op heden nog altijd ruim verspreid denkbeeld dat hier zeer rationeel door Ramon als waanidee wordt afgewezen :

Dat we door God zouden geschapen zijn,
Satournilos, dat betwijfel ik ook: God
zou dat beter hebben gedaan. Waarom
zou de Volmaakte iets onvolmaakts scheppen?

En na deze vraag moge duidelijk zijn welke belangrijke levensvragen en filosofische stellingen via de deskundige diensten van deze posterijen of postduiven worden gesteld en geponeerd. Het gaat hier dan niet meer over het Delisch probleem van de verdubbeling van de kubus, maar noch min noch meer over de schepping van de mens en het bestaan van halfgoden, demiurgen en andere opstandige engelen.
Dat Ramon een hoogst originele wiskunstenaar is, heeft dus niet zozeer te maken met zijn liefde voor de Euclidische meetkunde of zijn bewondering en eerbied voor de hogere en zuivere wiskunde, maar niet toevallig ook met het wekwoord wissen. Want wie niet goed weet te schrappen (Delete is en blijft een belangrijke toets op het klavier van onze computers), kan niet goed schrijven. Schrappen staat hier dan voor de eliminatie van de niet illuminerende elementen, een modus operandi waardoor ook de dichter Roland Jooris (trouwens een generatiegenoot van Ramon) zo uitblinkt.
Een wiskunstenaar als Ramon is dus een zeldzaam kunstenaar die, ook al heeft hij de grote rivieren gezien en de Ganges en ook al heeft hij ooit aan de oevers van de Tiber en de Acheron gestaan, alles wat niet wezenlijk is eerst zelf heeft geschrapt of uitgewist vooraleer hij zelf geheel en al tot stof en stofdeeltjes wordt uitgewist. En de niet onfortuinlijke redenaar en grammaticus Marius Cornelius Fronto (100-175 n.C.) die zelfs De lof van rook en stof bezong, zou na de lectuur van de hier aan hem gerichte brief wellicht de eerste zijn om in te stemmen met mijn mening dat deze leergedichten waarlijk wel uit de pen en de stem van een wijze komen en dus bestemd zijn voor Wijzen.


(1) Vertaald door Tine Ausma en ingeleid en van aantekeningen voorzien door Pieter Mostert in Friedrich Nietzsche. Waarheid en cultuur, in ‘Vijf voorwoorden voor vijf ongeschreven boeken’, in de reeks ‘Boom Klassiek’, vierde, herziene druk, Amsterdam : Uitgeverij Boom, 2003, p. 108.
(2) Ramon, Renaat, Rebuten, met de vermelding ‘Voor Varus, voor mijn getrouwen, voor de gezworenen.’, Gent : PoëzieCentrum, 2004.
(3) Benn, Gottfried, Gesammelte Werke, 4. Auflage, ‘Essays und Aufsätze’, ‘Dorische Welt. Eine Untersuchung über die Beziehung von Kunst und Macht’, ‘II : Sie ruhte auf den Knochen der Sklaven’, Wiesbaden / München : Limes Verlag, 1977, p. 269.
(4) Pindaros, Zegezangen, vertaald en toegelicht door Patrick Lateur, Amsterdam : Athenaeum – Polak & Van Gennep, 1999, in ‘De zanger van Hellas’, p. 7.
(5) Petsinis, Tom in het essay ‘Het laatste priemgetal’ in het themanummer ‘De macht van het getal’, tijdschrift Raster, nr. 100, Amsterdam : De Bezige Bij, 2002, p. 144.


Hendrik Carette

Uit: 't Pallieterke, 13 april 2017, p. 13

'Alles is nog mogelijk'

Kort na de afscheidsceremonie voor de kunstcriticus Jaak Fontier (1927-2017) in het crematorium De Blauwe Toren in Brugge vertrok Renaat Ramon met een luchtschip (geen gevaarlijke brandbare zeppelin) naar Rio de Janeiro. Niet om daar op het strand te gaan liggen of te gaan paraderen in de Braziliaanse stad onder het hoge monumentale standbeeld van Christus. Nee, samen met de jonge innemende kunstenares Lies van Gasse, bekend door haar grillige 'graphic poems', vormt Ramon de tweekoppige delegatie van in totaal 70 dichters uit 22 landen. Voor de Tentoonstelling voor Visuele Poëzie (Imagética) die daar loopt tot en met 27 april.
Het lijkt wel of de dichter, schrijver en beeldontwerper Renaat Ramon (°Brugge, 1936) niettegenstaande zijn al gezegende Bijbelse leeftijd niet de minste last heeft van hoogtevrees, doodsangst en metaalmoeheid.
Ook de traagheid van de treinen en de middelmatigheid hebben geen vat op deze veelzijdige, belezen en bereisde (eerder was hij met zijn plastisch werk al aanwezig in Frankrijk, Finland en Canada!) kunstenaar die geen grappenmaker is maar wel een subtiele vorm van humor beoefent.

Gaston Durnez
Ook de bekende publicist, biograaf van Chesterton en Felix Timmermans, fijne humorist en voormalig journalist Gaston Durnez schreef onlangs een ode aan de dichter Renaat Ramon. Durnez schrijft terecht: "De tachtigjarige Renaat Ramon is sinds vele jaren een bedrijvige veelzijdige kunstenaar die poëzie en artistieke intuïtie paart aan ambachtelijke kennis, aan liefde voor wiskunde en filosofie." Want niet iedereen kan zomaar naar Brazilië gaan en we zouden naast al Ramons activiteiten en exploten wel eens kunnen vergeten dat hij ook nog een veel te bescheiden en onderschatte dichter is van een soort van leespoëzie die nog veel te weinig wordt gewaardeerd. Daarin filosofeert deze dichter mijmerend en niet zonder subtiele humor, evenals zijn kompaan en generatiegenoot Gaston Durnez. Hij observeert de wereld en maakt soms gedurfde gedachtesprongen, als een literair-filosofische taalacrobaat.

Draagvlak en vizier
Zijn meest recente dichtbundel Draagvlak en vizier verscheen verleden zomer en werd opgebouwd omheen vier delen: 'Dierbare vrienden' (elk gedicht werd opgedragen aan een nog levende vriend), 'Memorandum' (opgedragen aan zijn overleden vrienden of geestgenoten), 'Veduta' en 'Grand Café Parnas'. Het meest indrukwekkende gedicht is getiteld 'Giordano Bruno en de zwarte kunst van het geheugen'. Het is een driedelig gedicht van drie bladzijden dat op Ramons rustige parlandotoon toch de essentie van de leer en het leven van deze ketter evoceert. Het zal de lezer niet zijn ontgaan dat deze Italiaan als een martelaar van het vrije woord op de brandstapel eindigde. Ramon beschrijft hem in zijn lange gedicht van zeven gebeitelde strofen met de nodige historische kennis en de nodige empathie. De kortste en voorlaatste strofe luidt als volgt :
"Je moet naar het Zuiden hebben verlangd,
maar in Venetië heb je het sombere gelaat
van de huichelaars gezien, gehoord
de vrome stem van het verraad."
Kortom dit is het soort gedichten dat we te zelden kunnen lezen, omdat dit een historisch gedicht werd en is. Deze zevende dichtbundel is opnieuw letterlijk en figuurlijk een zeldzaam boek (op slechts 200 exemplaren). De hele bundel werd trouwens opgedragen aan de Antwerpse culturele goeroe Henri-Floris Jespers die zich momenteel opsluit in eenzaamheid in een woning op de Marialei in Berchem, ooit van zijn grootvader, de bekende Antwerpse schilder Floris Jespers. En zo keren we terug van Rio de Janeiro naar Antwerpen. Met deze alerte en actieve Ramon (wiskunstenaar, wereldreiziger en woordenweger) is nog alles mogelijk. Eén van zijn uitspraken klinkt immers gevaarlijk optimistisch en gevaarlijk pessimistisch: 'Alles is nog mogelijk', zoals ook zijn onverwachte verre reis naar het verre Brazilië het ons bewijst.

Hendrik Carette

* Draagvlak en vizier, gedichten van Renaat Ramon, Gent: PoëzieCentrum, 2016, 53 blz., 19,95 euro.

Uit: De Hoogste Tijd, IIde jg., nr. 3, juni 1998, p. 25-26.

Een poëziebundel die zich aankondigt met citaten van de Franse Roemeen Cioran en van Wittgenstein, dat moet een bundel zijn die een filosofie in zich draagt. Een kolfje dus naar de hand van onze recensent.


Vierkantswortel uit het oneindige
De “Ongehoorde gedichten” van Renaat Ramon


Met die twee citaten verwijst Renaat Ramon voor zijn nieuwe verzameling beeldteksten onmiddellijk naar de problematiek die essentieel geworden is in zijn werk: de spanning tussen woord en beeld, de onmacht van het woord, de kracht van het beeld, maar meteen en desondanks de wisselwerking tussen beide. Al bewijzen citaten niet veel natuurlijk en haal ik met gemak een citaat uit die reuzebundel van Cioran (Cahiers 1957-1972) dat de gedichten van Ramon dreigt onderuit te halen: “J’appelle poésie ce qui vous frappe comme un couteau au coeur". Maar ook weer niet natuurlijk, want al ligt de schijn op de loer dat de bladzijden van Ramon kunnen verdrinken in de filosofische achtergrond en steriliteit, toch slagen zij er vaak in een zeer concrete en directe emotie op te roepen.

"Ongehoorde gedichten" is de titel, en inderdaad laten deze teksten zich niet horen omdat ze zich niet in klank - in ieder geval niet in taalklank - laten omzetten. Het zijn beelden die een titel meekregen, titels die verduidelijken, commentariëren, ironiseren. De taal is beeld geworden, het woord is geabstraheerd. Al dringt de vraag zich op, na het lezen of bekijken van deze gedichten (want van deze benaming wordt blijkbaar opzettelijk toch geen afstand gedaan hoewel net zo goed naar het grafische aspect als zijnde meer essentieel kan verwezen worden, los van de literaire impact), of de klassieke woordbetekenis niet abstracter is geworden in deze tijd en het beeld (letter, cijfer, leesteken los uit een context gehanteerd) nu juist des te concreter en veelzeggender geworden is.

Renaat Ramon, medewerker aan de Poëziekrant, publiceerde eerder vier bundels poëzie, en is ook "beeld"houwer. Deze recente bundel is een perfecte symbiose van wat hij met taal en beeld, evoluerend, uitdrukt. Dat hij ook essayist is, en dit vanuit een sterk gefundeerde filosofie doet, toont hier een gedicht als "postlettrisme" dat het alfabet in gevierendeelde letters ten tonele brengt, of "postmodernisme" waarbij de nul (het nietszeggende) in een serie wijkende en groter wordende haakjes wordt geplaatst. Met de Griekse lettertekens bouwt hij twee zuilen op en titelt hen "neoclassicisme". Filosofisch, poëtisch, maar vaak ook ironisch of ronduit grappig zijn veel van deze beeldgedichten. Zelfs zelfironie waarbij kritisch wordt teruggeblikt op de pogingen om via klassiek taalgebruik emoties te verwoorden zoals de chaotische letterverzameling in trechtervorm met annotatie "Comment j'ai transcrit certains de mes poèmes". Waarbij dient opgemerkt te worden dat, hoe theoretisch ondersteunend ook, deze bundel een luchtige sfeer ademt, onderhoudend is. Zodat de term cartoon (en zelfs droedel) niet veraf blijkt te liggen.

Met "Ongehoorde gedichten" poogt Ramon de taal in haar essentie te herstellen, haar te herleiden tot het wezenlijke. Taal als teken. Hij reageert op de verkrachting van het woord door het los te scheuren uit zijn alledaagsheid en het op een nieuwe wijze onder de aandacht te brengen. Hij trekt de vierkantswortel uit het oneindige en benoemt dit als poëzie. Waarmee hij tot de kern doordringt.


Johan de Belie

Uit: Poëziekrant, jg. 22, sept.-okt. 1998, nr. 5, p. 66-67

Met letters kan je niet alleen woorden maken die iets betekenen. Concrete poëzie ligt ook binnen de mogelijkheden. Renaat Ramon is in ons taalgebied – al doet die beperking hier weinig ter zake – een vaandeldrager van deze experimentele dichtvorm, vindt Gerrit Jan de Rook, naar aanleiding van Ramons nieuwe bundel Ongehoorde gedichten.

In de tweede helft van deze eeuw ver¬schijnen er in de Lage Landen zo eens per decennium een of meerdere publicaties waarin het auditieve of visuele aspect van taal experimenteel wordt benut. Doordat deze evolutie zich zo schoksgewijs voltrekt, valt moeilijk een lijn in te trekken. Verwantschappen met taalgelijke voorgangers in het verleden of met anderstalige strijdmakkers uit de eigen tijd zijn lastig te traceren en dus krijgt de buitenstaander haast altijd de indruk dat het om geïsoleerde figuren gaat die de grenzen van de poëzie oprekken. Misschien - en als dat zo is, valt het te betreuren - gaat dat ook op voor een visu¬eel dichter als Renaat Ramon. Hij verwijst in zijn bundel Ongehoorde gedichten slechts in één geval naar voor- of medegangers op zijn poëtisch pad. Raymond Roussel, de fascinerende Franse werkgroep Oulipo (waar Raymond Queneau deel van uitmaakte) en de vader van het lettrisme Isidor Isou krij¬gen in ‘comment, Ramon?' een klein eerbe¬toon. Ook in hun geval gaat het om geïso¬leerde fenomenen. In bepaalde opzichten is het niet kennen of het niet aangeven van relaties niet hinderlijk en in het geval van Renaat Ramon is het zelfs te billijken omdat hij met veel van zijn gedichten eigen ‘ni¬ches’ lijkt te hebben ontdekt. Ik heb het over zijn interesse voor wiskunde en semiotiek. Om met de eerste te beginnen. Ik ken inderdaad geen andere visueel dichter die zo frequent met wortels, machtsheffingen en getallen werkt. Van de 47 gedichten in de bundel Ongehoorde gedichten, is dat met ruim een kwart het geval. We treffen ze met name aan in ‘Codes’, het tweede van de vier delen. Zoals uit het gedicht ‘wikken en wegen’ (zie afbeelding) blijkt, wegen bij Ramon de cijfers zelfs zwaarder dan de letters. Toch heeft hij beide nodig, zoals hij aangeeft in het erop volgende gedicht ‘de span¬ning tussen orde en vrijheid’. Ware kunst bestaat immers uit een combinatie van deze twee principes. In de ogen van Ramon gaat het dan om de combinatie van een strakke ordening van cijfers met een chaotische wirwar van letters. Nu ben ik een alfatype en zijn letters mij liever dan cijfers. Het getal pi naakt geen deel uit van mijn denkwereld. Pascal en Pythagoras zijn geen personen waar ik in gedachten mee communiceer. Wat de semiotiek betreft, ben ik helaas ook geen kei, om het maar zacht uit te drukken. Derhalve kan ik gedichten als ‘o, Euclides’ en ‘Cidli’s sluimer’ niet goed beoorde¬len, maar het komt mij voor dat deze tak van de visuele poëzie door Zuid-Amerikaanse dichters als de gebroeders Haroldo en Augusto de Campos veel verdergaand onderzocht is. Ook de Brazilianen Wlademir Dias-Pino en Alvaro de Sá hebben gedich¬ten gemaakt met gebruikmaking van wiskunde en semiotiek. (Zie hiervoor bijvoorbeeld hoofdstuk 8 van Clemente Padins Art and People, via Internet: http://www.conctric.net/-lndb/padin/lcppro.htm). Mag het abstractieniveau van de mathematische en semiotische gedichten voor mijn brein te hoog gegrepen zijn, in visu¬eel-esthetisch opzicht meen ik dat Ramon in enkele gedichten niet ver genoeg gaat. Zijn weergave van een weegschaal in ‘wikken en wegen is te ‘tekenachtig’. Hetzelfde geldt naar mijn smaak voor de strop in ‘dood van de dichter’. Ook ‘Edison’ is mij te ‘vol’ gestructureerd met 19 herhalingen van het woord ‘lamp’ en 78 maal het woord ‘licht’. Ook op een gedicht als ‘Babel’ heb ik kritiek. De zigguratvorm is opgebouwd uit reeksen willekeurige Griekse letters. Ik zou het leuker hebben gevonden als de onderdelen steeds in een andere, al dan niet lastig leesbare taal waren geschreven, om zo de befaamde spraak¬verwarring nog eens te demonstreren. Deze kritiekpunten laten echter on¬verlet dat Ramonsgebied op het vlak van concreet-visuele poëzie is gebeurd. Zo is ‘keerkring’ een prachtig gedicht, met zijn dubbelzijdige ‘le¬zing’ van de W. Ramon is hiermee de derde dichter die het Belgisch meesterschap van het cirkelvormige gedicht bevestigt: na De Vree's ‘revolutie’ en Insingels ‘Modellen’. Ramons definitie van poëzie als de wortel van het oneindige is memorabel. Zijn ‘ode’ lijkt mij een klassieker te zullen worden. Ramons sobere gedichten spreken mij nog het meest aan. Een voorbeeld daarvan is ‘zon en rivier’. De eenvoudige combinatie van twee lettertekens, een 0 en een omega, heeft een monumentale allure Ongehoorde gedichten is een sterke bundel van een der fakkeldragers van de concrete poëzie in ons taalgebied.

Gerrit Jan de Rook

Uit: Poëziekrant, jg. 25, jan.-febr. 2001, nr. 1, p. 18-21.

Over: COLOR FIELD POETRY
Kleurenvelden
Nieuwe poëzie van Renaat Ramon

Color-Field Poetry heet de bundel visuele poëzie van Renaat Ramon die vorig jaar te Brugge verscheen. Als introductie treft de lezer vier bladen met ‘zwarte sonnetten’ aan, die ‘Blinde stem’ worden genoemd. Vier zwarte balken, de bovenste twee een slag hoger dan de onderste, sieren het eerste blad. Het tweede blad verklaart het hoogteverschil: nu zien we 2 x 4 en 2 x 3 horizontale, smalle zwarte balken en herkennen we de opbouw van het sonnet. Het derde blad levert bij mij verwarring op omdat ik vier rijen van veertien kortere balken aantref die verticaal staan. Het vierde en laatste blad doet die verwarring toenemen: in totaal zijn veertien regels afgebeeld, die elk bestaan uit elf zwarte blokjes die iets breder dan hoog zijn. Ik ga er voorlopig van uit dat Ramon met de beide laatste bladen een structuur binnen de sonnetregels heeft willen aangeven.

De hoofdcyclus, Color-field Poetry, biedt een herhaling van zetten, maar nu met de toevoeging van kleur. De ’blinde’ stem kan nu kleuren spreken. Van boven naar beneden ‘horen’ we op het eerste blad de vier balken van Blinde stem in paars, groen, grijs en geel. Dit is het gamma van Ramons palet in deze bundel. Omdat hij de eerste terzine (het derde blok) van boven dus) steeds grijs laat, kan hij op zes bladen (I-VI) met drie kleuren alle mogelijke kleurencombinaties maken. Het grijze blok - dat eigenlijk geen kleur heeft omdat grijs een menging is van de niet-kleuren wit en zwart - blijft stabiel en verankert de reeks.
De volgende serie van zes bladen (VII-XII) geeft kleur aan de structuur die we aantroffen op het tweede blad van de introductie. De veertien horizontale, smalle balken - twee blokken van vier en twee van drie - worden met dezelfde kleurencombinatie ingevuld. Omdat Ramon in de bovenste twee kwatrijnen steeds dezelfde opbouw geeft - a, b, b, a - en ze herhaalt, kan hij alle combinaties maken van paars, groen en geel. In de onderste twee terzinen kan hij, door ze steeds qua kleur spiegelbeeldig te maken en door het grijs weer een vaste plek te geven van een of twee regels per terzine, alle combinaties maken met geel, groen en paars. Door het aantal variabelen te beperken, wordt het mogelijk binnen zes bladen alle mogelijke combinaties te tonen.
De volgende reeks van zes bladen (XIII-XVIII geeft kleur aan het derde blad van het introducerende Blinde stem. Op het eerste gezicht lijkt het of Ramon de vorige bladen een kwartslag heeft gekeerd en in mootjes gehakt, maar het is ingewikkelder. Schematisch voorgesteld zien we nu zestien blokken: a - a - f - g - b - c - h - i - d’ - b’ - g’ - h’ - e’ - e’ - i’ - f’ (de letters met ’ geven de terzineblokken aan). In de acht linker blokken vinden we weer alle combinaties - binnen dit vaste patroon - terug van paars, groen en geel. In de rechter acht blokken vult het grijs weer steeds de helft van de ruimte en wordt de combinatie met geel, groen of paars herhaald. Meer variatie zou een groter aantal bladen hebben gevergd.
Daarna neemt voor mij de raadselachtigheid toe. Waarom krijgt het vierde blad van het introducerende Blinde stem maar twee kleurbladen (XIX en XX)? En waarom is de opbouw van de wat langwerpige blokjes anders? In het eerste geval tel ik veertien maal elf blokjes, in het tweede zeven keer elf en zeven keer tien. Alleen in dit opzicht zijn de kleurbladen elkaars tegenbeeld. Als ik een relatie tussen de kleuren op beide bladen probeer te ontdekken, gaat het mij duizelen en kom ik er niet uit.
De laatste bladen (XXI en XXII) doen denken aan het derde blad van Blinde stem. De kwartetten zijn opgebouwd uit vier woorden: twee maal ‘geel’ en twee maal ‘groen’. De terzinen herhalen deze structuur met ‘grijs’ en ‘paars’. Mooi is, dat binnen dit schema alle mogelijke combinaties op het blad voorkomen. Het laatste blad van Color-Field Poetry geeft dezelfde woorden weer als het vorige, maar dan gedrukt in zwart. De stem van de kleuren is weer blind geworden. De cirkel is rond.

Ondanks de diverse zaken die ik hierboven aanstipte, en die een raadsel blijven voor mijn a-mathematische brein, ben ik toch erg gecharmeerd van Ramons bundel. Niet alleen omdat raadsels tot nadenken inspireren, maar ook omdat het omzetten van woorden in zwarte of kleurige volumes de overgang betekenen van taal naar beeld. Dit heeft als voorbeeld dat het ook buiten de eigen taalgrens te begrijpen is. Het vraagt ook een andere manier van kijken. Al lezend let je nauwelijks op de vorm en kleur van de individuele letters: je vormt zo snel mogelijk woorden en zinnen. Maar als je naar kleuren en vormen kijkt, sla je zowel meer acht op de individuele dingen als op de combinaties ervan. Ook heb je meer oog op de totale structuur van het gedicht omdat deze over- en inzichtelijker is. Bovendien worden de ritmes die in de verbale poëzie alleen hoorbaar zijn, visueel duidelijk, zichtbaar.
Natuurlijk is het ‘vertalen’ van versritme in beeld al eerder gedaan. Fisches Nachtgesang van Christian Morgenstern dateert uit de eerste decennia van de vorige eeuw. Een ander voorbeeld is de ‘vertaling’ die Marcel Broodthaers in 1969 maakt van het gedicht Un coup de dés n’abolira le hasard van Stéphan Mallarmé. Broodthaers verving Mallarmé’s dichtregels door smalle, zwarte balken. Ramon kiest niet voor een bestaand gedicht maar voor een bestaande dichtvorm, het sonnet. Bovendien introduceert hij het gebruik van kleur. Hierdoor wordt de structuur van het gedicht aanleiding om er een visueel spel van te maken. De gekozen kleuren - paars, groen, geel en het grijs - kunnen met gevoel worden geladen. Men kan ze bijvoorbeeld gaan zien als water, grasstroken of zonnestralen. Met name bij de smalle horizontalen is men hiertoe geneigd. Maar ze kunnen ook gekozen zijn uit praktische overwegingen, voor een zo groot mogelijke contrastwerking bijvoorbeeld.

Zoals ik een vorige keer in dit tijdschrift al aanstipte (Poëziekrant jrg. 22, nr5, pp.66-67) vertoont Ramons aanpak verwantschap met die van een groepje Zuidamerikaanse visuele dichters. Door taal om te zetten in symbolen (of andersom), wordt het mogelijk gedichten te maken die iedereen kan ‘lezen’. De taal wordt universeel. Dit gaat natuurlijk nooit helemaal op omdat niet iedereen van links naar rechts en boven naar beneden leest. Mensen kijken anders naar een tekst en zullen abstracte symbolen ook wel anders interpreteren. Toch spreekt er een streven uit naar een algemenere vorm van communicatie die mij zeer aanspreekt en die vergelijkbaar is met die van de beeldende kunst. Ramons Color-Field Poetry heet dan ook terecht ‘visuele poëzie’.


Gerrit Jan de Rook

Uit: Poëziekrant, jg. 38, nr. 7-8, december 2014, p. 42-47

'Verwoorde beelden, verbeelde woorden. Het levenswerk van Renaat Ramon'

Concreet-visuele gedichten zijn altijd al een vreemde eend geweest in de huiselijke vijver van de poëzie. Ook al vinden sommige lezers zo een gedicht geen echt 'lelijk' eendje, toch blijft de argwaan bestaan. Het visuele gedicht vraagt immers om een geheel eigen benadering; de lezer moet tegelijk een kijker worden. Daarbij gaat het om een ander verwachtingspatroon, een andere manier van interpreteren en zeker ook van waarderen. Zelf ben ik eveneens opgegroeid met poëzie als een eigen vorm van 'woordkunst', een tekst die je uitermate traag leest, naar de letter toe ontcijfert en waaraan je zo betekenis geeft.
Nochtans hebben veel lezers, paradoxaal genoeg, op jonge leeftijd enthousiast kennis gemaakt met poëzie in een concreet-visuele gedaante. Wie heeft niet de overbekende gedichten van Paul van Ostaijen (de zeppelin uit Bezette Stad of het 'Huldegedicht aan Singer') uitgebeeld of nagebootst? Generaties jongeren zijn daarenboven opgegroeid met Visuele poëzie: een bloemlezing konkrete en visuele gedichten (1977) van Erik Slagter, dat naar schoolgaande jongeren toe de eigenheid van de concrete poëzie trachtte te verklaren. Zijn populariserende essay met bloemlezing kreeg zelfs een herdruk. Enkele jaren eerder had Slagter al voor de Nederlandse educatieve markt een gelijkaardig boekje gepubliceerd (Concrete poëzie, 1971).
Dit soort initiatieven is er evenwel niet in geslaagd om de concreet-visuele poëzie weg te halen van de reservebank, aan de zijlijn van de 'eigenlijke' literatuur. Vandaag is de situatie trouwens nauwelijks gewijzigd. De concreet-visuele poëzie leidt nog steeds een dynamisch, maar tegelijk grotendeels aan de openbaarheid onttrokken bestaan. Dat hangt deels samen met haar eigenheid: door zo sterk in te zetten op het beeld ontsnapt ze haast vanzelf aan de aandacht van de traditionele literatuurliefhebbers en -uitgevers. Daarenboven heeft ze dat relatieve isolement tot een soort van geuzenstatuut verheven; de weigering om deel uit te maken van de gevestigde literatuur en de gangbare literaire instituties (uitgevers en tijdschriften) heeft ontegensprekelijk bijgedragen tot een geheel eigen ontwikkeling. Ten slotte – en wellicht de belangrijkste factor -- is er de sterke internationale verankering. De concreet-visuele dichters en performers hebben een wijd vertakt netwerk, Europees en mondiaal (van Brazilië tot Japan). Binnen die constellatie bekleden de vertegenwoordigers uit de Lage Landen wel degelijk een prominente rol, literair en beeldend zowel als institutioneel. Dat bleek onlangs nog naar aanleiding van de manifestatie 'Underground Poetry Festival' in het cultuurcentrum Essegem in Jette. De literatuur(geschiedenis) wordt echter nog steeds beheerst door nationale motieven. Onbekend maakt in dit geval niet eens onbemind...
Aan die toch wel nefaste situatie is echter een eind gekomen. Wie zich voortaan deskundig wil informeren over de concreet-visuele poëzie in de Lage Landen, kan perfect te rade bij het imposante boek Vorm & Visie. Geschiedenis van de concrete en visuele poëzie in Nederland en Vlaanderen, dat Renaat Ramon zopas publiceerde. De jongste jaren verschenen van zijn hand in tijdschriften al her en der enkele hoofdstukken, die deden verlangen naar meer. Ramon kent immers al decennialang als geen ander de complexe scène van dit type pëëzie, als geïnteresseerde waarnemer en als actieve deelnemer. Zijn enorme kennis en ervaring stelt hij nu geheel ten dienste van een ruim lezerspubliek.
De ontdekkingsreis naar een nieuw en wonderlijk land begint in feite al met de kaft. Vorm & Visie is immers in alle opzichten zelf een visueel artefact, een soort uit de kluiten gewassen voorbeeld van concreet-visuele poëzie. Het boek is bijna vierkant, een formaat dat ook de beeldende kunstenaar Ramon met groot meesterschap beheerst. Centraal staat de titel gedrukt: Vorm & Visie. De twee substantieven allitereren, maar tegelijk worden ze onderling verbonden/gescheiden door een bij uitstek grafisch teken: '&' in plaats van het courantere 'en'. De kaftillustratie is al even functioneel. Het gaat om het visuele gedicht 'Das Ewigweibliche' van Renaat Ramon (die zo op de kaft figureert in een dubbele gedaante: als auteur én als kunstenaar). Het beeld stelt een gestileerd, symmetrisch vrouwelijk silhouet voor, maar ter hoogte van de borsten wordt die symmetrie subtiel verbroken. Hier staat gestileerd het grafische teken voor oneindig, maar de variërende lijndikte geeft aan dat het in feite om een zogenaamde 'ring van Möbius' gaat, een meetkundige figuur waarbij de binnenkant buitenkant wordt en omgekeerd. De vorm wordt visie, en omgekeerd verbeeldt de visie de vorm.
Die nauwe wisselwerking tussen vorm en inhoud vormt, niet toevallig, de leidraad van Ramons studie. Het boek is daartoe rijkelijk geïllustreerd, met honderden (vaak nauwelijks bekende) voorbeelden van concreet-visuele poëzie, van tijdschriften en belangrijke manifestaties. Alleen al daarom is het de (zeer billijke) prijs van het aanschaffen meer dan waard. Ramon heeft dat rijke materiaal gegroepeerd rond 17 hoofdstukken. Die volgen grotendeels een chronologische lijn, maar tegelijk beschrijven ze elk ook een bepaalde visie op concrete poëzie. Op die manier neemt Ramon een pragmatisch standpunt in ten opzichte van andere (en eerdere) studies, die doorgaans kiezen voor hetzij een typologische, hetzij een strikt historische benadering. Die typologische aanpak is onlangs nog magistraal gedemonstreerd door Klaus Peter Dencker in zijn Duitse standaardwerk Optische Poesie (2010) van bijna duizend bladzijden. Zijn overzichtsstudie blinkt weliswaar uit door conceptuele helderheid en strakke afbakening, maar die drang tot classificatie heeft tot gevolg dat allerlei boeiende grensgevallen door het net van de afgelijnde categorieën vallen en verdwijnen. (Overigens is Dencker erin geslaagd om zijn vele contacten met dichters uit de Lage Landen in zijn studie vrijwel geheel te 'vergeten'.) Een louter historische beschrijving werpt dan weer een preciezer licht op de chronologie van de gebeurtenissen en de ontwikkeling van bepaalde tendensen, maar hangt een hoogst troebel beeld op van de complexe realiteit, waarin thematische of poëticale verwantschappen gedeeltelijk wegvallen.
Ramon heeft wijselijk geopteerd voor een combinatie van beide organisatieprincipes. Op een veeleer pragmatische wijze is zijn boek overwegend historisch geordend. Na een korte, principiële inleiding (waarin hij zijn eigen open definitie van zijn object tracht te formuleren) vertrekt hij bij de historische avant-garde om te eindigen in de eenentwintigste eeuw ('Postmodern Times' is de titel van het slot). Ieder hoofdstuk is geconcentreerd rond een fenomeen: een stroming of een bepaalde visie, een tijdschrift, een auteur. Telkens presenteert Ramon de belangrijkste realisaties, maar tegelijk laat hij ook zien hoe zowel de definitie als de waardering van concreet-visuele tendensen belangrijke verschuivingen ondergaan. Zo is de poëzie in de loop van de jaren '60 -- misschien wel de meest productieve periode -- afwisselend (en grotendeels achtereenvolgens) concreet, visueel, concreet-visueel, visueel en visief, om maar dat rijtje van termen te noemen. Renaat Ramon legt het allemaal uit, als een geduldige en bijzonder tolerante leraar, maar tegelijk toont hij in zijn betoog ook hoe die etiketten er in wezen niet zoveel toe doen.
Niet verwonderlijk springen in Vorm & Visie drie periodes speciaal in het oog. Allereerst is er de historische avant-garde uit het interbellum, die ruim aandacht krijgt. Niet alleen de onvermijdelijke Paul van Ostaijen (van wie vooral Bezette stad veel waardering krijgt) en zijn Nederlandse evenknie Theo van Doesburg worden daarbij uitvoerig besproken. Ramon besteedt terecht ook aandacht aan het werk van schrijver-drukker Hendrik Nicolaas Werkman en zijn unieke tijdschrift The Next Call. Het valt echter op hoe Ramon bijzonder karig is met het toekennen van het label ‘concreet-visueel’ aan de vele typografische experimenten uit die periode; voor hem zijn het zijsporen zonder enige poëticale meerwaarde.
Een tweede brandpunt vormen de jaren zestig van de vorige eeuw. In de hoofdmoot van zijn boek bespreekt Ramon uitvoerig tijdschriften als De Tafelronde (met onder meer Paul de Vree, Jan van der Hoeven en Adriaan de Roover) of Labris en zijn opvolgers (met onder meer Leon van Essche en Ivo Vroom) voor Vlaanderen en Revue integration (Herman de Vries), Vers univers (Frans Vanderlinde), AH (Herman Damen), Bloknoot (G.J. de Rook) en Subvers (Hans Clavin) voor Nederland. Daarbij gaat zowel aandacht uit naar de poëtische productie als naar de manier waarop de concrete poëzie telkens programmatisch wordt verdedigd, zowel tegenover haar tegenstanders als tegenover de onmiddellijke concurrecnten. Onderlinge contacten en internationale filiaties worden terecht eveneens vermeld. In de rand van die tijdschriften bespreekt Ramon ook enkele afzonderlijke figuren, zoals Marcel van Maele of Mark Insingel. Dit deel van Vorm & Visie is zonder meer het indrukwekkendst, zowel door de omvang van het verzamelde materiaal als door de diepgaande, mooie commentaren.
Tot slot worden ook de recentere lotgevallen van de concreet-visuele poëzie tot op vandaag geschetst. Het beeld is hier beduidend minder rechtlijnig, maar Ramon laat voortreffelijk zien hoe de nieuwe media resulteren in allerlei vernieuwende en boeiende experimenten, van mail art (bijvoorbeeld bij Luc Fierens) over stiftpoëzie tot uiteenlopende vormen van poëtische performance. Meteen rijst wel de cruciale vraag hoe wij, in deze 'postmodern times', ons nog een begrip als concreet-visuele poëzie moeten voorstellen, alleen al in het licht van de doorbraak van allerlei nieuwe media.

De voorgaande summiere samenvatting illustreert het brede opzet en de rijkdom van dit fraaie boek. Die kwaliteiten nemen niet weg dat hier en daar ook kritische kanttekeningen gemaakt kunnen worden. Zo zijn er redactionele onnauwkeurigheden; niet alle citaten worden geïdentificeerd, sommige bronnen zijn achterhaald, en hier en daar worden illustraties in de tekst onvoldoende toegelicht. Uiteraard kan men aanvullende voorbeelden bedenken die in de tekst ontbreken (ik mis bijvoorbeeld Yves Coussement), of van mening verschillen met de auteur over de esthetische waarde van sommige fenomenen. De belangrijkste leemte voor mij is het onvermeld laten van de experimentele poëzie; zeker in de nasleep van Cobra zijn er diverse experimenten op de rand van woord en beeld die in dit overzicht volgens mij een plaats hadden verdiend. Meer principieel valt trouwens op hoe Ramon nauwelijks aandacht schenkt aan het 'handschriftelijke', een thema dat nochtans recent veel belangstelling heeft gekregen (in het Duitse taalgebied bijvoorbeeld via het onderzoek naar 'Schriftbildlichkeit'). Veel van de door hem besproken auteurs (bijvoorbeeld Leon van Essche of Marcel van Maele) hebben trouwens druk geëxperimenteerd met het schrift. Tenslotte ontbreekt het deze studie aan een besluit. Het boek stopt nogal abrupt bij een hedendaagse manifestatie, waardoor de lezer blijft zitten met de vraag hoe het verder moet of kan met de concreet-visuele poëzie, als historisch fenomeen en in het licht van de zich onophoudelijk wijzigende mediacultuur (Twitter komt, en ondertussen is teletekst alweer op grote schaal afgevoerd). Elektronische literatuur is op dit ogenblik misschien wel de belangrijkste manifestatie van wat vroeger 'concreet-visuele poëzie' werd genoemd. Het zijn slechts enkele opmerkingen, die in ieder geval al doen uitkijken naar een tweede, geactualiseerde druk van dit overzicht.
Het mag immers zonder meer duidelijk zijn. Renaat Ramon heeft een boek geschreven dat nog geruime tijd als standaardwerk en als nauwgezet naslagwerk zijn diensten zal bewijzen. Daarvoor staan de deskundigheid van de auteur en de grondigheid van zijn documentatie – die door de uitgever royaal wordt geïllustreerd – borg. Daarenboven combineert Ramon op tal van bladzijden zijn zin voor wetenschappelijke acribie met een enorme vertrouwdheid en een intens gevoel van verwantschap met de materie die hij bespreekt. Op die manier opent hij soms hermetische oeuvres voor zijn lezerspubliek, zonder evenwel ingewikkelde kwesties te banaliseren. Na de lectuur van Vorm & Visie wil ik gewoonweg meer te weten komen, nog veel meer dingen zien. Veel meer kan een auteur van een dergelijke studie niet wensen.

Dirk de Geest

Uit: Poëziekrant, jg. 41, nr. 2, maart-april 2017, p. 32-33

'Nog steeds met open vizier'

Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag bedacht Renaat Ramon zichzelf en zijn lezers met een nieuwe publicatie van zijn hand. Ditmaal betreft het geen essay of een bundel met concreet-visuele poëzie, maar een 'gewone' dichtbundel. Draagvlak en vizier springt echter meteen in het oog door zijn visuele vormgeving. Het omslag combineert op een ingenieuze wijze twee kleuren en enkele wiskundige patronen (lijnen en cirkels). Dat geometrische samenspel richt de blik van de lezer naar een soort lens, centraal op de bladzijde geplaatst. Verticaal afgedrukt staan daarnaast de courante gegevens: titel en auteur aan de ene kant, uitgever aan de andere. Voor- en achterplat hernemen en variëren die basiselementen. Kortom, de abstracte kunstenaar weet hier een intrigerend minimalistisch beeld op te roepen.

In contrast met die initiële verwachting bevat Draagvlak en vizier echter geen concreet-visuele creaties maar vrij lange gedichten in taal. In die zin ligt deze bundel in het verlengde van eerder werk, met name van de bundel Rebuten die Ramon in 2004 publiceerde. Veel van de hier opgenomen verzen hebben een autobiografische inslag; dat maakt ze herkenbaar, maar tegelijk ook minder conceptueel. In zijn geheel kan de bundel beschouwd worden als een soort caleidoscopisch zelfportret, maar dan een portret dat tot stand komt via brieven aan anderen. Veel van die intimi – daadwerkelijke vrienden dan wel geestverwanten (zoals dat in Rebuten het geval was) – zijn overleden.

De voorgaande karakterisering geeft al aan hoe bij Ramon het leven in feite ten dienste staat van de poëzie (en niet andersom). Het is in dit opzicht veelzeggend dat zijn bundel programmatisch opent met een retorische vraag van Pablo Neruda: 'Is een woordenboek een graftombe / of een gesloten honingraat?', waarop het openingsgedicht een poëtisch antwoord wil geven. Dat resulteert in een onverbloemde hulde aan het woordenboek als de zetel van de geschiedenis en de betekenis, een symbool dat zowel het doel als de oorsprong van de mens belichaamt:

Ook een atlas is weelde
maar een woordenboek leeft – leeft
zoals geen ander drukwerk leeft, want
woorden wijken wel, maar sterven niet.
Zijn woorden niet de zichtbare ziel der dingen,
van het beeld de zichtbare stem?

Aan de basis van de gedichten in deze bundel ligt, met andere woorden, een onvoorwaardelijk geloof aan het (poëtische) woord. Alle personen die ten tonele worden gevoerd, worden niet enkel aangesproken, ze transformeren letterlijk tot gestalten van taal. Dat brengt deze teksten – grotendeels ontstaan als gelegenheidsverzen over een periode van meer dan een decennium – samen tot een coherent, maar niettemin hoogst verscheiden geheel. Ramon verplaatst zich als een nauwgezette observator met kameleontische allures, telkens in zowel de levensvisie als de stijl van de geportretteerde. De noeste taalwerker Jozef Deleu wordt een tegenhanger van de oudtestamentische bouwers aan de toren van Babel in zijn poging om de spraakverwarring ongedaan te maken en de talige diversiteit te koesteren. De brief aan boezemvriend Hendrik Carette, poète maudit in alle opzichten, bewierookt vooral de passie van de outsider, met de typische ode aan het Vlaamse landschap en de barokke stijl. Omgekeerd krijgen zuiver conceptuele taaldichters als G.J. de Rook en Mark Insingel volstrekt uitgepuurde, haast minimalistische verzen toebedeeld. Het gedicht voor Insingel imiteert uitmuntend diens voorkeur voor herhalingen en subtiele verschuivingen, en bij de concreet-visuele dichter De Rook is niet toevallig sprake van een derde persoon, die zelfs als personage verdwijnt na gauw nog een schamel woord te hebben gegijzeld. Ook overleden vrienden als Marcel van Maele en Jan van der Hoeven worden herdacht met behulp van het typische idioom van hun werk: in die zin wordt hun dood getransformeerd tot een soort van ultiem verbaal gebaar.
Aan die portrettengalerij ligt uiteindelijk één gemeenschappelijk streven ten grondslag. Alle vertegenwoordigers van de vriendschap zijn doordrongen van het cruciale belang van de cultuur en de geschiedenis. De toon in de meeste gedichten is die van een verrijkend dialoog. Of de ander overleden is dan wel lijfelijk aanwezig, maakt niet zoveel uit, want pas binnen de ruimte van het gedicht wordt het intieme contact gecreëerd tussen deze ‘deelgenoten’ en ‘broeders’, over alle geografische en temporele grenzen heen. In deze monologische gesprekken – om het maar zo te noemen – worden geen biografische realia aan elkaar geregen, maar naar diepte, naar betekenis, naar waarheid gezocht. In die zin is deze bundel tegelijk een filosofische bezinning, een identiteitsbepaling met waardering voor verschillen. Dat wordt beklemtoond door de specifieke setting van die ontmoetingen. Daarbij wordt veel aandacht geschonken aan rituelen die bij momenten zelfs religieuze proporties aannemen: het delen van brood, het drinken van wijn, de geur van wierook suggereren alleszins een gewijde sfeer. Vanzelfsprekend speelt ook de taal bij dat alles een belangrijke rol. Zo wordt hardnekkig gezocht naar de meest geschikte verwoording om te tonen wat ons verbindt, maar tegelijk ook de ruimte te creëren voor wat aan de mens ontsnapt. De spanning tussen communicatie (het begrijpen) en mysterie (een ontvankelijk niet-begrijpen) keert in heel wat gedichten terug. Daarbij reikt Ramon diverse taalspelen aan. Er is de suggestiviteit van het landschap, dat zowel een gevoel van beslotenheid als een ervaring van oneindigheid en het sublieme kan opwekken.
Minstens even typerend zijn de vele verwijzingen naar de wiskunde, met haar symbolen en formules, een uitgelezen middel om de wisselvallige betekenissen te modelleren, om onderlinge schema’s en wetmatigheden bloot te leggen. Tenslotte is er, zoals gezegd, de schatkamer van het verleden waaruit de 21ste-eeuwse dichter moeiteloos kan putten: de (cultuur)geschiedenis, de humanistische filosofie en het woordenboek. Het zijn levensnoodzakelijke houvasten, zeker in een tijd waarin veel zekerheden wankelen.
Al die elementen dragen bij tot een intrigerende bundel vol ideeën en dromen, soms uitgepuurd en elders vol barokke details, nu ironisch en dan weer kritisch en overtuigd… Wie deze bundel leest met open vizier, komt onder de indruk van het streven dat eraan ten grondslag ligt. De onmiskenbare ambitie, gecombineerd met een grote verbale trefzekerheid en een enorm draagvlak aan referentiekaders, staat garant voor een verrijkende leeservaring.

Dirk de Geest

Uit: Poëziekrant, jg. 30, nr. 6, 2006, p. 36-39

DOOR WOORDEN BEWOOND EN DOOR CIJFERS GETEKEND

Twee poëticale besognes van Renaat Ramon

Renaat Ramon is de dichter van een weinig omvangrijk maar apart oeuvre.
Zijn spaarzaam samengestelde bundels verschijnen maar zeer sporadisch. Tussen 1987 (het jaar waarin de verzamelbundel Noodweer uitkwam) en 2004 (het publicatiejaar van Rebuten) verscheen niet één bundel in boekvorm. Op Ongehoorde gedichten (1997) en Color-field poetry (1999), twee collecties concrete/visuele poëzie, na. De bundel Rebuten leek me een retour en force, want het is zonder meer een hoogtepunt in Ramons werk. In 2006 verscheen Geheim besogne. Deze kleinoden deden meteen de vermeende zeventienjarige stilte vergeten.

De poëticale démarches van Ramon zijn niet vanzelfsprekend. Ze zitten vol uitdagingen. Ook voor de lezer. Zijn gedichten laten zich schrijven en lezen middenin het oog van een storm: in het spanningsveld tussen het expressieve en het verstilde, het lyrische en het beschouwende, het koortsige en het onderkoelende, het esthetische en het moralistische. Wat betekent dat het procesmatige, het conflict en het dialectische impliciet en wezenlijk deel uit maken van het gedicht. Dit proces houdt een stoïcijns volgehouden verweer tegen ‘toeval en willekeur’ in. Een duel tegen de tijd. Tegen het vergeten. Vormwil en vormvastheid kenmerken Ramons gedichten.

Deze gedichten doen in hun verklanking lyrisch aan, evenwel hellen zij nooit queeste ‘naar een achterliggende of verborgen idee’ – zoals hijzelf beweerde in het blijvend rake en spitse interview met Hendrik Carette, gepubliceerd in het boekje ‘Weerwoord’ (1987) dat naast dit interview een aantal teksten en essays over de dichter verzamelde bevatte. Het lyrische wordt dus subtiel door de rede getemperd. Hiervoor gebruikt Ramon twee (strategische) middelen die literair-historisch hun verdiensten hebben bewezen (en Ramon is zich van die traditie meer dan bewust): met name scepsis en ironie. Ironie is niet vrijblijvend: ze is dwingend, ze is noodzaak. Ironie wordt door Ramon niet tot het maken van wat woordgrapjes gereduceerd. Zijn ironie reikt verder: ze is organisch, complex, intelligent en zelfs intellectueel en/of intellectualistisch. Uit het interview met Carette: ’De ironie is er niet om te dingen of de feiten te verdoezelen of te relativeren, zij is er om de feiten te benadrukken. Wij hebben de ironie nodig omdat de taal slechts het kleed van de waarheid is. In de ironie overstijgt de dichter de subjectiviteit van de waarneming. Door de ironie neemt men afstand – maar het is de afstand die men neemt om beter te kunnen zien.’ Ironie als engagement: ‘De ironie is niet alleen een methode, een literair procédé, het is ook een denkwijze, een manier van zijn, vorm en voorwaarde voor vrijheid.’ De ironie is dan ook in zowel Rebuten als in Geheim besogne tot in de titels toe aanwezig. Niet in een slapstickvorm, maar geslepen, in het geniep, onderhuids, wonden blootleggend, meedogenloos en geduldig.

Jean-Michel Maulpoix: ’Lyrisme pourrait être le nom de ce que risque la poésie’. Bewust van het feit dat het wezen van de poëzie – ik citeer opnieuw uit het interview – ‘bacchantische vervoering’, ‘chimaera’ en een ‘gevecht met de engel’ (een gevecht met de ernst?) is, neemt Renaat Ramon een positie van ‘torenwachter’ in. Op de ‘Uitkijk’. Zoals Richard Minne ligt Ramon wantrouwig (niets menselijks is hem immers vreemd) op de loer: zijn alerte oogopslag houdt pathos en sentiment binnen aanvaardbare limieten. Dit blijft een poëzie zonder expliciete belijdenissen, hoogdravende retoriek of beate verbale ontsporingen. O ja, ontsporingen zijn er wel maar ze zijn van een ontnuchterende scherpzinnigheid. Dit is kritische lyriek. De taal wordt bevragend benaderd. Uitbarstingen worden slechts met mondjesmaat toegestaan. Maar zonder die uitbarstingen geen lyriek.

Gekneld tussen grammatica en mathematica, gaat Ramon op zoek naar het absolute teken. Het absolute taalteken. In zijn extreemste vorm mondt dit uit in visuele en of concrete poëzie. Ramon is een beeldend kunstenaar (schatplichtig aan het constructivisme) met grote faam. Het geometrische dat zijn beeldend werk kenmerkt vinden we terug in die visuele poëzie en in de wijze waarop hij zijn meer ‘traditionele’ dichtbundels structureert. Ook het belang van de typografie, de spaties, de leestekens, het wit stip ik aan als een ‘plastische’ referentie. Ramon dubt over het plaatsen van een komma alsof het een tragisch gebeuren betrof. (We weten het niet zeker: maar als gedichten inderdaad boodschappen in een fles zijn, geworpen in de zee van de tijd, dan heeft de man groot gelijk.) Aan Rebuten bijvoorbeeld, werd meer dan vijf jaar gewerkt. (Mocht er toch toeval en willekeur te vinden zijn in zijn teksten, dan werd dit door Ramon, schipper naast god, meticuleus berekend.) De plastische betrokkenheid introduceert in zijn dichtwerk het conflict tussen het als universeel ervaren cijferteken/tekencijfer en het relatieve, te zeer aan de particulier gebonden (want in de tijd steeds weer fluctuerende, eroderende) betekenissen van de woorden. Het woord is vlees geworden: het woord bewoont ons. En alle vlees is gras. ‘Door woorden bewoond en door cijfers getekend’ staat er in Geheim besogne. Het woord dat ons bewoont wordt onze dood. De afkeer voor de dood is wat in essentie de vormwil van deze dichter motiveert. In Qui-vive, een in 1999 verschenen special van het tijdschrift facture baroque, resumeerde hij zijn ‘geloofsbelijdenis’ in vier regels:


: hemel en aarde
+ zullen vergaan
- maar deze tekens
x zullen blijven


Hoewel we Renaat Ramon er duidelijk in herkennen, zijn Rebuten en Geheim besogne twee verschillende dichtbundels. Gelijklopend is er de eruditie, de secuur ingebouwde verschillende betekenislagen en de bravoure waarmee de bundels en de gedichten onderling (spelmatig) werden gestructureerd (de netwerken aan interpretatiemogelijkheden en allerlei dubbelzinnige verwijzingen die insinuerend ontstaan door het herhalen van sommige woorden, woordvelden, begrippen), het métier, de maturiteit, de kortgeknipte en kort knippende ironie, de aristocratisch aandoende trotse allures van de discreet in de schaduw verblijvende scribent.

Rebuten zijn onbestelbare brieven. In de bundel Rebuten lezen we onbesteld geraakte brieven die aan een wel echt selectief gezelschap zijn gericht. Het betreft figuren uit de zich over vele eeuwen uitstrekkende en zich aan de Middellandse zee afspelende Grieks-Romeinse tijd. Een fijn allegaartje van onder meer filosofen, astronomen, redenaars, heiligverklaarden, bannelingen, sceptici (wij begroeten Karneades en Pyrrho), asceten, dichters, verstekelingen en hier en daar (of moet ik zeggen meer dan eens) een rare vogel zoals bijvoorbeeld een zekere Bruttidius. Aan deze zeer onbekende stuurt Ramon niet zozeer een brief dan wel een (extreem kort gehouden) kattebelletje: ‘Je naam leeft, Bruttidius.’ en deze regel is dan het hele gedicht.

Velen van de geadresseerden waren voor mij notoire onbekenden. Of het nu al dan niet evidente ‘namen’ zijn die hier opduiken, is een vraag die ik onbeantwoord moet laten, wegens onbevoegd. Wel relevanter is de vraag of het noodzakelijk is om te weten wie de geadresseerden waren? Historisch of legendarisch: niet één personage zou verzonnen zijn. Geen sprake van enige mystificatie! Dit lijkt me overigens niet in de lijn te liggen van een dichter als Ramon. Hij is te redelijk om een fantast te zijn: daarom maakt waanzin hem jaloers (welteverstaan de waanzin van Hölderlin, van Baudelaire – ‘crénom’ -, van Nietzsche.) Op zijn website is een tekst terug te vinden waarin Ramon zijn vijfendertig correspondenten wat nader omschrijft. Het lezen van die korte verwijzingen is op zich al de moeite waard: ze zijn in het laconieke één en al Ramonesk. Zo bijvoorbeeld lezen we over hoger genoemde Bruttidius het volgende: ‘Wij lezen bij Juvenalis (ca. 60-140) in zijn 10de satire: 'Ik kwam bij 't Marsaltaar / Bruttidius tegen, wit van angst, en vrees / dat, sinds de keizer zich de dupe weet, / hij zich verongelijkt alom gaat wreken, / zoals eens Ajax deed…' Verder weten wij van Bruttidius niets.’ Het werpt een ander en scherper licht op het kattebelletje van daarnet. Betreft het hier nu stuk voor stuk figuren die de dichter met naam en al van de vergetelheid probeert te redden? Mnemosyne is al langer de muze van Ramon. Als poëzie iets moet, als poëzie een maatschappelijk functie moet hebben dan is het toch wel deze van ‘geheugen’. Het gedicht als memoriaal. Herinnering als verzetsdaad. Poëzie is een antidotum tegen het vergeten. Poëzie moet ons iets in herinnering brengen, brengt herinnering aan: de poëzie maakt de herinnering zichtbaar. Of nog: herinnering is wat poëzie laat zijn. Hans Faverey schrijft: ‘Door te zien / blijf ik mij herinneren; // hoop ik dat ik besta.’ En dat staat te lezen in een bundel die ‘Tegen het vergeten’ heet.

Maar waarom nam Ramon dit expliciterend en in sommige gevallen verhelderend lijstje dan niet in zijn drukwerk op? Geeft hij daarmee aan dat al de aangeschrevenen (die zonder onderscheid van rang of stand vriendelijk getutoyeerd worden) in deze bundel misschien wel persoonlijke projecties, identificaties, afsplitsingen, vermommingen en maskers kunnen zijn? Maken al de aangeschreven personages deel uit van een onmogelijk geacht zelfportret? Bewijsstukken dat de naam van de dichter leeft? We vinden er in ieder geval de contouren van de moralist Ramon terug (spottend, joviaal blijvend grimmig, ketters, stoïcijns, bescheiden). Ook laat hij hier en daar, zij het vluchtig, heel expliciet zijn eigen persoonlijke drama’s zien, onder meer in de brief aan Xenofanes van Kolofon, waar het gaat over het begraven van zonen.

We kunnen het nog anders stellen. Aangezien de hier aangehaalde personages alleen nog maar met naam en toenaam in oude teksten staan, zijn deze gedichten dan geen dialoog met die teksten, een poging tot glosse van die teksten – en moeten we deze gedichten vanuit bijvoorbeeld een strikt cultuurhistorische hoek benaderen? Ik moest denken aan het beroemde slotgedicht uit ‘Tempel en Kruis’ van de door Ramon gerespecteerde Marsman. ‘Wie schrijft, schrijv’ in den geest van deze zee/of schrijve niet: hier ligt het maansteenrif/dat stand houdt als de vloed ons vervalt/en de cultuur gelijk Atlantis zinkt’ Heel de bundel is sterk doordrenkt van een (mythisch) mediterrane sfeer: taal ruist zuiders. Brugge blijkt plots een stad met Latijnse wortels. Zoveel is zeker: Rebuten – waarvan ik noodgedwongen een groot deel onbesproken moet laten – is één van die bundels die niet is wat hij lijkt te zijn. Het is een zoektocht op allerlei fronten (historisch, metafysisch, politiek, artistiek, filosofisch). Het is een testament (tekstueel laat hij de goede lezer onder meer tussen de regels enkele binnenpretjes na). Het is een ‘levenswerk’: gedichten waarin een levenshouding en levenshoudingen in kaart worden gebracht. Het zijn elegieën (in een zacht, intiem aanvoelend parlando) die door understatement laconiek worden afgeremd. Breedvoerige gedichten soms, die van het oorspronkelijk minimalisme van Ramon lijken af te dwalen. (Maar eenmaal minimalist, altijd minimalist!)

Spelen in Rebuten de Namen een belangrijke rol, dan krijgt het cijfer in Geheim besogne een prominente plaats. Neem nu de wijze waarop deze nieuwe bundel is gestructureerd. Hij is binair opgesteld, dit wil zeggen opgebouwd binnen het getal twee en zijn veelvouden. De bundel bevat zesendertig gedichten, verspreid over tien cycli. De eerste en laatste cyclus bevatten elk twee gedichten. Een cirkelstructuur die uiteenvalt in twee halve cirkels, in twee delen van vijf cycli. Die ‘vijf’ wijkt af van de veelvoudenreeks van twee. We ontwaren binnen de structuur een duidelijke breuk. Vijf als ‘breukgetal’. Maar op dit breekpunt ontstaat een verzoenend verband. Tussen het laatste gedicht van de vijfde cyclus (dat begint met de regel: ‘In een milde manische stemming’ – blijkbaar een sleutelgedicht, want Ramon laat het ook op de achterflap afdrukken) en het eerste gedicht van de zesde cyclus (dat begint met de regel ‘De zon is mild vandaag’) poogt het woord ‘mild’ op een ritueel talige manier beide halve cirkels aan elkaar te lassen. Van een besogne gesproken! Die twee gedichten vormen dan ook een ‘bindteken’ binnen de bundel (de zesde cyclus zal wel niet voor niets ‘Passage’ heten.) Dat bindteken zorgt voor een soort ‘mildheid’ tussen allerlei, binnen de bundel uitgezette tegenstellingen, scheidingslijnen. Ik som er enkele op: dalen en stijgen; vallen en klimmen; zwaartekracht en wolk; dag en nacht (Vigilie en Midi); orde en chaos; het aardse (het woord) en het kosmische (het teken), het menselijke en het goddelijke; pare getallen en onpare getallen; het berekende en het onberekenbare; het absolute en het incidentele; het antieke en het eigentijdse; het opene en het geslotene; het veeleisende en het milde. Op het formele vlak valt de tegenstelling tussen het parlando en de retorische toon op; het lyrische en het getemperde. De stilistische verscheidenheid werkt die tegenstellingen nog meer in de hand. In Rebuten, daarentegen, bleef de stijl rechtlijnig en harmonieus.

Ook binnen elk gedicht worden tegenstellingen verwoord. In nogal wat gedichten geeft een witregel en/of het tegenstellend voegwoord ‘maar’ vaak een kentering aan. Het geheime besogne achter de teksten is het oplossen van conflicten die je eigenlijk tot één conflict zou kunnen reduceren: het schaduwvechten tussen leven en dood. Een zoektocht ook naar mildheid, naar een vaste ‘maat’, de maat der mensen. Een zoektocht naar een afmeting en een handlanger, een mede-ingewijde. De titel Geheim besogne houdt een verwijzing naar een geheim genootschap in (the happy few?) Of naar een metafysisch geheim tout court.

Meer nog dan in ‘Rebuten’ valt de grote eruditie van Ramon op. Niet alleen in de intertekstuele verwijzingen maar ook in de complexe woordkeuze. Die put hij uit de rechtspraak, de fysica, de alchemie, filosofie (zelf herkende ik de scepticus Sextius Empericus en opnieuw Nietzsche), de retoriek... Maar in elk gedicht blijft, zoals in de vorige bundel, de ironie genadeloos sluimeren: wat binnen de orde van de gedichten wel wat voor chaos zorgt voor wie deze gedichten leest. Hoe ernstig ze bij eerste lezing overkomen, des te spelmatiger ze zich voordoen na verscheidene lezingen: sommige sacraal aandoende gedichten blijken in potentie blasfemisch zoals het (in 1988 voor het eerst gepubliceerde) gedicht ‘Ecce bellua’:

Als de tekenen niet bedriegen
heb ik te vergeefs
op het wentelen der jaren gewacht,
op het sterven van de slang.

Gedagvaard ben ik door de dood
omdat ik geen motief had om te leven.
Twist en twijfel zijn mijn deel geweest
en ik heb geloofd in de waan der dagen.
Nu wacht mij de weger van het hart
die de pluim der waarheid wuift.

Voor de drie grote zonden van Damascus
moest ik boeten, ondergaan in het geluid,
in het geklank van trompetten -
want mijn dagen zijn gewogen en geteld.
Ook mijn geld is geteld,
mijn erfenis reeds geregeld:
dertig zilverlingen en wat klatergoud.

Te vergeefs heb ik gepoogd mijn handen
in onschuld te wassen, mij te louteren
door het vuur - want de vromen
moeten mijn vlees eten. Maar slechts
met doornen werd ik gekroond en mij
werd ook mijn scharlaken mantel afgenomen,
alsof ik een man van smarten was.

Toen zag ik - het uur naderde -
dat ik een reusachtig monster was;
waarlijk, op aarde was niets
met mij te vergelijken.


Rebuten en Geheim besogne liggen in het verlengde van wat Ramon eerder publiceerde. Zij zijn de logische continuering van wat eerder werd ondernomen. Merkwaardige werkstukken. Zeg maar: uitgepuurd verwoorde processen. Resultaten, (resultanten? residuen?) van een langdurige reflectie over de zingeving van zowel poëticaal als beeldend werk. Voorlopige eindpunten? Passages? Hoe het ook verder gaat, deze twee bundels vormen ondertussen zonder meer de kroon op het reeds gepubliceerde literaire werk van Renaat Ramon.


Alain Delmotte

Uit: Doorbraak, 30 januari 2017

'Onder elke voet brandt er vuur'
Renaat Ramon en de poëzie van woorden en tekens

Mocht Renaat Ramon naar een eenzaam eiland worden verbannen, dan zou hij graag "zijn laatste vrienden" meenemen. Dat zijn: De Bo, Van Dale, Duden en Littré. Vier woordenboeken! Ramon zou ook wel blij zijn met de weelde van een atlas, maar een woordenboek "leeft zoals geen ander drukwerk leeft, want woorden wijken wel, maar sterven niet".
Dat zegt hij in het gedicht waarmee hij zijn jongste bundel opent. Zijn reisgezellen trekken ook mij aan. Maar het verwondert mij wel, dat hij andere vrienden op het vasteland zou kunnen achterlaten. Als ik de naam van Ramon hoor noemen, denk ik ook en niet minder aan de grote en kleine beelden die hij sinds jaren maakt, aan de monumentale "tekens"(zelfs op een route), aan de verschillende vormen van "visuele poëzie" die hij beoefent. Kunstliefhebbers discussiëren wel eens over de vraag, of Ramon op de eerste plaats een woordkunstenaar is, ofwel een beeldhouwer en een graficus. Om van de "performer" en de meubelontwerper dan nog te zwijgen. Ik zie hem dan ook eerder in ballingschap vertrekken met een stevige wagen waarin, naast De Bo en compagnie, een stapel schrijfboeken, een tekenbord, wat ruwe stenen en een assortiment hamers en beitels liggen. Hoe zou hij zonder die vrienden overleven ?
...Maar wie zou hem willen of durven verbannen uit zijn dierbaar Brugge ? !
* * *
De tachtigjarige Renaat Ramon is sinds vele jaren een bedrijvige veelzijdige kunstenaar die poëzie en artistieke intuïtie paart aan ambachtelijke kennis, aan liefde voor wiskunde en filosofie. Ja, hij gelooft met Wittgenstein, dat uiteindelijk mathematics is poëtry. Wittgenstein is een van de geesten die hij graag citeert. Zoals hij in zijn modern werk graag antieke motto’s opneemt.
Heel zijn lange kunstenaarsloopbaan heeft hij afwisselend klassieke verzen geschreven, of de woorden vervangen door cirkels, vierkanten en andere vormen die hij in steen beitelde of in metaal "uitzaagde". Tussen het creëren van een beeldentaal door, tekende hij met stevige klare lijnen zijn "visuele poëzie", voerde grafische spelletjes uit die soms familie zijn van cartoons.
Wie kennis wil maken met zijn wereld van maat, rede en evenwicht kreeg daar de jongste jaren mooi de gelegenheid voor. Ramon was goed aanwezig op tentoonstellingen en in de artistieke boekhandel. ( Niet in de media, maar die hebben hun eigen uithangbordenpoëzie). Een goed overzicht van zijn werk kreeg men in de bloemlezing Klemteken, uit 2012, nog verkrijgbaar in het Poëziecentrum, Gent). Zij werd samengesteld en ingeleid door Jooris van Hulle. Naar aanleiding daarvan kreeg Ramon ruim aandacht in Poëziekrant, (jg. 36, nr. 3), het unieke maandblad dat het hardnekkig volhoudt in de stormvloed die onze artistieke tijdschriften heeft geteisterd.
Als je rondloopt in het boekenrijk, kijk dan ook eens uit of je bij de antiquairs nog een exemplaar vindt van een juweel : Ongehoorde gedichten, (1997) waarin Ramon een honderdtal getekende poëmen bijeen zette, waaronder zijn befaamde sonnet met vierkantjes, rechthoekjes en cirkels, dat wij ook wel eens tegenkwamen…ingesneden in de rugleuning van een stoel. Het is een collectie geestige en zinrijke prenten. Waarbij hij nogmaals Wittgenstein citeert : Wat niet getoond kan worden, kan niet gezegd worden..
Ondertussen werkte Renaat Ramon jarenlang aan een geschiedenis van het genre. Het was een zware opdracht die hij zichzelf gaf. Ze leidde tot een uniek naslagwerk en leesboek van bijna 350 pagina’s. Onder de titel Vorm & Visie behandelt hij alle variaties van visuele en concrete poëzie die er in ons taalgebied zijn beoefend. Dat zijn er nogal wat ! Hij begint zijn overzicht met historische motieven in de "figuratieve" poëzie, spreekt over de Nederlandse kunstenaars van De Stijl en komt via Paul van Ostaijen tenslotte terecht in de tweede helft van de twintigste eeuw waarin een ware rondedans van letters en tekens begint. Bij ons is Paul de Vree met het tijdschrift De Tafelronde (1953-1981) de revolutionaire pionier geweest. Er volgen hem heel wat titels van tijdschriften en namen. Ramon heeft het eerder over hun inhoud en betekenis, dan over de geschiedenis van hun ontstaan, groei en verdwijnen. Zulk werk moest natuurlijk uitvoerig geïllustreerd worden. Alleen al de talrijke kleur- en andere prenten en foto’s maken van het boek een feest voor de liefhebbers.
Sommige would-be poëzie bestaat nu nog enkel dank zij een foto van haar flitsende verschijning. Sommige verzen zijn totaal vervluchtigd, zoals een werkstuk uit de roemruchte jaren van het Kabouterprotest tegen onze maatschappij, toen de Nederlandse "totaaldichter" Robert Joseph zeven letters in een hoed stopte ten einde ze daarna blindelings te kunnen oppikken, een handeling die hij herhaalde tot het genoeg was. Gegoochelde poëzie, als het ware. Nonsenshumor speelde mee, in die jaren.
Vorm & Visie, een boek als een gedenkteken, verscheen bij het Poëziecentrum in 2014 en kende een tweede druk. Het leverde Ramon een verdiende serieuze onderscheiding op, de driejaarlijkse Dirk Martensprijs 2016.
* * *
Sindsdien heeft de tachtigjarige niet stil gezeten. In de zomer van 2016 verscheen zijn zevende dichtbundel, Draagvlak en vizier. Daarin keert hij even terug naar de leespoëzie en groet hij o.m. vrienden uit zijn artistieke generatie die verdwenen zijn (Marc Braet, Jan van der Hoeven, Marcel van Maele) : "Hebben we niet al te vaak / naar versierde stemmen geluisterd ?" vraagt hij . Nu wil hij voor hen zijn "sobere verzen lezen – onder elke voet brandt er vuur"...
Recent is ook zijn essay, in het jaarboek 2016 van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers, over de altijd nog onderschatte en toch zo sterke en originele Omer Karel de Laey. Ramon houdt van de geestige en kleurrijke dichter. Geen wonder: De Laey is de auteur van beschrijvende, uitbeeldende poëzie, waarin "de verbeelding het gevoel verzwelgt" . Hij kan gezien worden als een voorloper van Richard Minne, maar heeft ook zijn stempel gedrukt op de jonge Felix Timmermans. Ramon benadrukt in zijn essay vooral de strenge criticus De Laey die, in 't begin van de twintigste eeuw al, vond dat er in Vlaanderen lang genoeg met "een romantische wieg geschommeld" was. Het kind dat er in lag, zag bleek en moest dringend leren lopen.
...Nee, Renaat Ramon moet niet naar een eenzaam eiland !

Gaston Durnez

Uit: Poëziekrant, jg. 34, nr 2, maart-april 2010, p. 63-66

Sober en cool DUBBELTALENT

Dubbeltalenten die schrijven en beeldhouwen, schilderen of tekenen, beoefenen meestal de disciplines van het woord en de beeldende kunsten niet even intensief. Zij munten ook niet in dezelfde mate uit als schrijver en als beeldend kunstenaar. Renaat Ramon lijkt het juiste evenwicht tussen beide disciplines te hebben gevonden. R + R = Renaat + Ramon = beeldend kunstenaar + dichter = dubbeltalent.

Wie de visuele poëzie ziet die Renaat Ramon in de drie bundels Ongehoorde gedichten (1997), Color Field Poetry (1999) en Zichtbare stem - Visible voice - Voix visible - Sichtbare Stimme (2009) publiceerde, kan besluiten dat hier het volmaakte evenwicht werd gevonden tussen de beeldend kunstenaar en de dichter. In zijn recentste bundel vloeien de twee creatieve bronnen van het dubbeltalent opnieuw perfect samen in de eenheid van een poëtisch-grafische beelding op elk van de rechterbladzijden. De visuele poëzie lijkt hier het ideale medium, de voor de hand liggende oplossing om het dubbeltalent poezie-beeldende kunst optimaal te activeren en in een ongewoon vruchtbare symbiose te ontplooien. De visuele poëzie van Ramon situeert zich niet ‘between poetry and painting’ maar realiseert de perfecte samenvloeiing van ‘poetry and drawing’.

Tekenmogelijkheden
Ramon is gefascineerd door de tekenmogelijkheden van het alfabet, maar tot de specifieke formele kenmerken van zijn concreet-visuele poëzie behoren ook het frequente gebruik van niet-linguïstische codes, vooral van cijfers en wiskundige formules en het spelen met de visuele overeenkomsten tussen (Romeinse) cijfers en letters. Ramon dicht in tekens, stelt Erik Slagter in zijn inleiding tot de bundel Ongehoorde gedichten, ‘hij gaat boven alles uit van de klassieke mythe over het ontstaan van de wereld. Die wordt in zijn visie niet teruggebracht tot het woord, maar wel tot een cijfermatig kosmisch principe. Gelijk een kosmograaf ontwerpt hij nu, na het totale fiasco van de fysieke taal, op het substraat van het alfabet, een systeem van tekens. De taal is, met Chomsky, weer spiegel van de geest. Haar tekens zijn nog vrijwel uitsluitend ontleend aan de exacte wetenschappen.’ Het valt op dat de modernist (en bij wijlen postmodernist) Ramon graag gebruik maakt van klassieke strofische vormen. In Ongehoorde gedichten treft het geheel uit doodshoofden bestaande ‘Kwatrijn’; in ‘O, Euclydes !’ volgen driehoek, cirkel en vierkant het rijmschema van een sonnet. Color-field poetry is formeel zelfs geheel op de sonnetvorm gebaseerd. Deze bundel telt naast vier ‘zwarte’ ook tweeëntwintig ‘kleursonnetten’. De kleurstelling is deze die Ramon ook in zijn beeldend werk bezigt: geel, groen, grijs en paars. G.J. de Rook bezorgde een grondige structuuranalyse van deze reeks die in dit blad werd gepubliceerd. (1)
Jan van der Hoeven wees op de originaliteit van Ramons’ demarche: ‘Deze mutatie van een specifiek literair-historische vorm naar een quasi autonome grafische orkestrering is binnen de evolutie van de visuele poëzie een unieke ingreep. De combinatie van Ramons bekend geometrisme met zijn intelligente taalironie genereert hier een subtiele maar ook ultieme realisatie. ( ) Het sonnet, dat door zijn historiciteit tot icoon geworden is, kreeg nu een iconografische dimensie van een andere orde. Binnen de geschiedenis van de visuele poëzie een verrukkelijke vondst.’ (2)
De vier inleidende ‘zwarte’ sonnetten van deze bundel kregen ‘Blinde stem’ als titel, een gepaste naam voor concrete poëzie die zich situeert op een abstract niveau. De nieuwe bundel waarin, dixit Jooris van Hulle in zijn inleiding, ‘de grenzen van de visualiseerbaarheid van de stem’ worden verkend, heet dus antagonistisch Zichtbare stem. Hij telt vijftig gedichten die in het colofon empirische gedichten worden genoemd. Dat duidt er op dat de dichter zich niet uitsluitend met formeel-esthetische aspecten van de taal bezig houdt maar ook met de maatschappelijke realiteit. Kritiek, ironie en engagement zijn hem nooit vreemd geweest.

Alfabetisme
Het motto dat Ramon het eerste deel van zijn bundel Zichtbare stem heeft meegegeven, een uitspraak van Victor Hugo: ‘La société humaine, le monde, l’homme tout entier est dans l’alphabet. L’alphabet est une source.’ Bij het bezien van dit eerste deel, veelzeggend ‘Alfabetisme’ genoemd, komt de kijker, na de verrassing en de directheid van de informatie, ertoe de werkwijze te onderzoeken. Herhaling gecombineerd met vergroting, suggestie van perspectief, nevenschikking, geleidelijke, mathematisch bepaalde versmalling of verbreding van elementen zijn simpele maar hier wel met ongewone vindingrijkheid toegepaste tekentechnieken. De op de linkerbladzijde aangebrachte woorden - Grandissement, Dialogue, Ivolutie, Umlautwelt - staan telkens in een zinvol verband, nu eens ironisch, dan suggestief, elders eerder zuiver vormelijk, tot de grafismen. Het taalkundig-grafische in het tweede deel, ‘Ad infinitum’, wil oproepen dat wat zonder grens is, zonder einde. De @ van de computertaal trekt zijn staart spiraalvormig verder in de ruimte. De 26 letters worden door de ‘Big bang’ de kosmos ingeslingerd. Het ‘Alfaversum’ is een door het universum resonerend alfabet.
‘Promenade’ brengt de wandelaar naar het onbekende, als het al niet op de weg is naar het onbereikbare. ‘Pro Memorie’ beeldt streng visueel met de vier letters van het woord echo de weerkaatsing uit van het geluid. ‘Words words words’ ironiseert het nooit eindigende geklets van de mensheid dat oplost in wol-kigheid. ‘Concrete lyriek’, het derde deel van de bundel, kreeg een motto mee van Franz Kafka. De idee ‘Erst in der geordneten Welt beginnt der Dichter’ doordringt al sedert het debuut in de jaren zestig het werk van Renaat Ramon. Zijn poëtische en artistieke opvattingen worden in dit deel opnieuw visueel vertolkt met vormen, letters, wiskundige, metrische en symbolische tekens. Geometrische structuren, verwijzingen naar bekende dichters, sober kleurgebruik, een los en ludiek spel met letters zorgen voor afwisseling en stimuleren zowel het denken als het kijken. Ook hier treffen we weer een paar geijkte strofenvormen aan: ‘Formule’, opgebouwd met de vier elementair rekenkundige tekens en ‘Carte blanche’ met de vier symbolen van het kaartspel zijn zorgvuldig gecomponeerde sonnetten. Uniek is ook ‘Le quattro stagioni’: met weerkundige tekens evoceert Ramon in vier haiku de vier seizoenen. Gezien de titel kan niemand de knipoog naar Vivaldi ontgaan. Dat de constructivist Ramon gefascineerd is door ‘vier’ – het cijfer, het vierkant, de kubus – daar heeft Alain Delmotte reeds op gewezen. (3)
De symbiose van woord en beeld wordt nog versterkt door het feit dat de dichter graag referenties beeldt. Dat is o.m. het geval in ‘Voient-elles Rimbaud ?’ dat, uiteraard in kleur, het gedicht ‘Voyelles’ visualiseert en in ‘Hommage à Mallarmé’, een teerlingworp die zich geheel aan de wetten van het toeval onttrekt. Dit gedicht is misschien de meest pregnante uitdrukking van Ramons poëtica. In zijn essays ‘Ramon, le maître des signes’ heeft Alain Germoz zijn filosofie geëxpliciteerd: ‘Comme Einstein, Ramon ne peut croire au hasard. L’alphabet n’est que l’apparence qui cèle la réalité profonde du monde des physiciens régenté par les mathématiques. Présenter les mathématiques et la poésie comme des entités antinomiques relève d’une barbarie intellectuelle encore fréquente à laquelle, par l’ensemble de son œuvre, Ramon oppose le nécessaire démenti. Tout y est structuré dans un ordre cohérent qui, en deux ou en trois dimensions, s’inscrit dans une même philosophie antichaos.’ (4)
Een geestige ‘Hommage à Apollinaire’ (en 12 andere empirische gedichten) treffen we aan in het eveneens recent verschenen opusculum Lingua franca (2009).

Sober en cool
In het vierde deel van Zichtbare stem, ‘Face & Mind’ verschijnt de figuratie en is de schrijver en dichter aanwezig in een meer persoonlijke benadering, concreter, niet, zoals in de vorige delen, in de heel streng doorgevoerde abstractie. Maar ook hier blijft het figuratieve element bijzonder sober en cool: een summiere, lineaire omschrijving van het hoofd, het hoofd als drager van de hersenen, het brein, baken van het verstand, het denken, de beeldende creativiteit en de poëtische fantasie (‘Brainstorm’, ‘Poeta metafisico’). In niet mindere mate echter ook de plaats waar het denken het onbekende ervaart, het raadsel, de onoplosbare tegenstelling (‘Unknown’, ‘Voyant/Voyeur’), de limieten van het menselijke bestaan (‘C.V.’). De bundel eindigt met ‘Beeldgericht’, een tiendelige cyclus met dezelfde visuele directheid en consequentie als in de voorgaande delen wordt getoond. Het symmetrische ‘Oogrijm’ berust op de werking van de complementaire kleuren rood en groen, maar ook op het subtiele wentelen van de cirkels, de opposities van de kleuren, van de horizontalen en de verticalen, de literaire referentie ‘Monologue intérieure’ op de herhaling van het mondmotief, zodat de volmaakte werking en vooral de nooit eindigende roterende beweging van de cirkel de bedoelingen onthult. De censuur krijgt een tik in het naar de klassieke oudheid verwijzende ‘Venus Pudibonde’ (5), ‘Mars’ suggereert de dreun en de depersonalisatie van hen die moeten marcheren, ‘War & Victory’ zegt meer dan vele woorden waar oorlog en overwinning uiteindelijk op uitdraaien. Op de achterflap torst Ramon als een Atlas de wereldbol, vol van de letters van ons alfabet. Hoe zwaar de last ook lijkt, de dichter van de bundel bleek 132 bladzijden lang in uitstekende conditie te verkeren. Over de interactie van beeldende kunst en literatuur, de combinatie van visuele en semantische elementen zijn in de loop van tachtig jaar talloze studies verschenen. Theoretici hebben vele indelingen en namen bedacht: concrete poëzie, visuele poëzie, visie-poezie, objecteve poëzie, mechanische poëzie, conceptuele poëzie, intermediale poëzie. Wat schrijft en beeldt Renaat Ramon? Het is van geen enkel belang: termen en theorieën worden volkomen vergeten door de bezitter en genieter van Zichtbare stem.


(1) G.J. de Rook: ‘Kleurvelden. Nieuwe poëzie van Renaat Ramon’ in Poëziekrant, jg. 25, nr. 1, jan-febr. 2001, p. 18-21.
(2) Jan van de Hoeven: ‘Color-field poetry: de stille sonnetten van Renaat Ramon’ in: Kreatief, jg. 34, nr. 2, 2000, p. 127-128.
(3) Alain Delmotte: ‘Renaat Ramon. Geen middelen van bestaan en ook geen reden’, VWS-Cahier 195, 1999.
(4) Alain Germoz: ‘Ramon, le maître des signes’ in Archipel 19, 2002, p. 5-7 en Archipel 20, 2002, p. 33-47.
(5) Voor Ramons confrontatie met de antieke wereld, zie Agnes Caers: ‘Renaat Ramon, le Renaissant’ in Archipel 25, 2007, p. 11-31.

Jaak Fontier

Uit: Archipel, n° 19, p. 5-7

II y a d'innombrables façons de définir un artiste, la plus simple, quoique souvent abusive, consiste à le situer dans un courant connu, de le rattacher à un -isme, de délimiter son aire de création ou de rechercher une illustre influence. II s'agit de le marquer comme un athlète flanqué d'un maillot avec dossard, afin qu'il soit reconnais¬sable une fois pour toutes. Cette méthode, qui résulte de l'inexo¬rable besoin de catégoriser et de classer, peut s'avérer fructueuse, évidente et justifiée si l'artiste se borne à une seule discipline. Rembrandt et Van Gogh ont choisi la peinture et on n'en demande pas plus. Mais avec Léonard et Michel-Ange, les étiquettes nous restent collées aux doigts. Au moins nous reste-t-il une certitude majeure: ce sont des professionnels du plus haut niveau dans les différentes disciplines qu'ils pratiquent. La Renaissance en a donné d'autres exemples. Notre époque aussi mais moins convaincants, l'abolition de repères et de critères avant ouvert le champ à des touche-à-tout plutôt qu'à des créateurs capables d'associer imagina¬tion et métier (dans le sens noble du terme) et à même de mani¬fester leur identité dans plusieurs disciplines. Comment distinguer le touche-à-tout du créateur, l'acte authentique du coup de poker? On trouve la réponse dans la volonté, la nécessité d'une cohérence. Elle est flagrante chez Renaat Ramon, l'artiste west-flamand dont la sculpture, la poésie écrite et la poésie visuelle obéissent à une même exigence. L'explosion dada a été une sorte de Big Bang mal compris et mal digéré dont la déflagration fait toujours des victimes parmi ceux qui croient pouvoir récupérer ce qui est irrécupérable. Paradoxalement, c'est peu avant qu'est né Part moderne, non seulement à Paris avec le cubisme (nous schématisons) mais à Moscou avec l'abstrac¬tion, le suprématisme, le constructivisme. Mais en art comme en science, il y a souvent simultanéité des découvertes en des endroits différents. Le fil rouge qui conduit à Ramon se déroule à partir d'artistes tels que Malévitch, Rodchenko, Tatline, puis El Lissitzky, et trouve des correspondances aussi bien chez Mondrian et Van Doesburg que dans les diverses expériences des années vingt qui conduiront à décanter les objets autant que les mots de leur fonction, de leur sens ou de leur ordonnancement traditionnels. On tend vers l'autonomie de l'objet, des formes, de la typographie. Déjà l’artiste s'intéresse aux possibilités de techniques nouvelles. Plutôt que de se référer au Bauhaus, comme à l'accoutumée quand on évoque 1'évolution de l'avant-garde, citons la mécano-facture d'Hendryk Berlewi qui se sent de déchets industriels pour composer, en à plats noirs et blancs, un monde graphique d'où 1'intervention de la main semble absente – une étape d'un parcours qui aboutit à la perfection de l'Op Art de Vasarely. Ce sera le triomphe de l'industrialisation de l’art. L'esthétique y relève d'une conception mathématique. C’est ce qui nous ramène à Ramon, non qu'il fasse quoi que ce soit de semblable à l'ouvre de Vasarely. Le lien, avec Malévitch au départ, réside dans une logique qui s'appuie plus volontiers sur une réalité mathématique et qui bannit ce que des mots, des formes ou des couleurs pourraient révéler sur les senti¬ments de 1'artiste. Si l’on restreint le champ à ce qui s'est passé en Flandre, la filia¬tion passe par les poètes Paul van Ostaijen et Paul De Vree – pour ne citer que deux artistes qui ont donné une impulsion majeure à une poésie autre (audio-visuelle, concrète, visuelle et son extension, la ‘poesia visiva’ qui intègre la photographie comme moyen d'ex¬pression, surtout critique envers la société). Ces recherches pour un renouvellement du paysage poétique s'éloignent considérablement des Calligrammes de Guillaume Apollinaire ou l'ordre des vers tend à se conformer au sujet traité. Chez Ramon, le sonnet est là, dans un ordre parfait, mais les mots qui le component ont disparus, chaque lettre étant remplacée par un carré noir, 1'ensemble se présentant comme un poème muet qui fait appel à notre propre inspiration. Ce qui n'empêche pas Ramon d'écrire aussi des poèmes lisibles dans l'acception courante du terme. Poésie dépouillée, nue et proche de l'aphorisme qu'il pratique avec un penchant pour les détourne¬ments du sens, l'allusif et le clin d'oeil. Les poèmes écrits révèlent un esprit rigoureux, épris de précision et de clarte mais fruits d'une réflexion très personnelle, nourrie par un insatiable appétit de connaissance. D'oú une diversité de thèmes qui se dénouent dans un jeu sémantique réglé comme une partie d'échecs. De la sémantique à la sémiotique, le pas est franchi, prolongeant par des signes (qui ne sont pas exclusivement des lettres et des chiffres) des Poèmes inouïs qui renouvellent le rapport entre l'idée et la forme. Ici surgit une conception surprenante, parfois très forte, d'une diversité métaphorique originale. Tout y est calcul, mesure, équilibre mais reste ludique, chargé d'une pensée exigeante qui refuse l'arbitraire. Comme Einstein, Ramon ne peut croire au hasard. L'alphabet n'est que 1'apparence qui cèle la réalité profonde du monde des physiciens régenté par les mathématiques. Présenter les mathématiques et la poésie comme des entités antinomiques relève d'une barbarie intellectuelle encore fréquente à laquelle, par l'ensemble de son oeuvre, Ramon oppose le nécessaire démenti. Tout y est structuré dans un ordre cohérent qui, en deux ou en trois dimensions, s'inscrit dans une même philosophie anti-chaos.

Paul Valéry remarquait que «notre civilisation prend ou tend à prendre la structure de la machine». La marge entre le poète, le graphiste et le sculpteur d'une part et le mathématicien, l'ingénieur et l'architecte de l'autre ne cesse de s'amenuiser. Ce qui implique une prédominance de la conception sur le travail, lequel peut éven¬tuellement être confié à d'autres mains ou à 1'ordinateur. De toute 1'évidence, 1'exploration et l'exploitation du domaine des signes relève d'un processus rationnel où le rôle de la main est accessoire - une différence essentielle avec l’art de la Renaissance. Si notre temps se prête à la diversification des genres, l'authenticité reste affaire de cohérence dans la démarche et qui permet d'en saisir l'unité. Visuelle ou concrète, qu'elle ait l’air de modifier ou de supprimer le sens, la poésie de Ramon le pousse à l' extrême de ses possibilités et ce qui peut apparaître comme un jeu intellectuel, écartant volontairement l'humain et la Nature, se charge d'une ironie qui est précisément le propre de l'homme. Quant aux senti¬ments, Ramon leur substitue une sensibilité et un raffinement, mais garde ses distances. Maître des signes, capable de les recycler selon les exigences d'une fantaisie inépuisable, i1 les impose comme autant d'évidences. Telle est la gràce des vrais créateurs.

Alain Germoz

Uit: Flanders Today, 21 september 2011.

Poetry for the eye
Renaat Ramon

A visual artist who is also a poet usually has little chance to combine the disciplines, but not so for Bruges-based Renaat Ramon. The title of his new exhibition is Hasselt is Oogrijm, or Eye Rhyme.
“Oogrijm” is also the title of one of the pieces in the show - a grid of geometric figures, straight lines and coloured circles. “Eye rhyme means words that have endings spelled identically, so they appear to be similar, but are not pronounced the same,” the artist explains. Meaning, say the words “blood” and “wood”. This verbal correspondence is expressed in purely visual terms, one of the hallmarks of Ramon’s work.
His unique approach blends word and image, letters and symbols, numbers and text, creating graphic works that delight the viewer with unexpected associations. “I was and I am still a visual artist and a poet” he tells me at the opening of the show in Hasselt’s cultural centre “At a certain point, there was a spontaneous but logical interaction between the two genres.”
Ramon is fascinated by all kinds of symbolic systems, not just alphabets (and the words they form) but also musical notation, visual codes, pictograms and other forms of graphical representation. Another of his pieces makes use of Ogham, an ancient Irish alphabet made by scratching lines in stone. In his work, even familiar symbols find new meanings and become the elements of poetry.
Not surprisingly, Ramon was trained as an architectural draughtsman at a time when precise rendering was still done by hand. This attention to detail and commitment to clarity of expression is evident. Stylistically, he is influenced by neoplasticism, the Dutch minimalist movement that emphasised simple geometric shapes and primary colours.
As an accomplished sculptor whose monumental steel designs can be seen in locations around his native West Flanders, he works with geometric forms like squares and circles. This formalism is also expressed in his poetry. Ramon explains his aesthetic by quoting the 20th-century Austrian philosopher Ludwig Wittgenstein: “Ultimately, mathematics is poetry.”
Ramon’s work also pays homage to great thinkers and writers such as Mallarmé, Apollinaire, and Jean-Paul Sartre. “Voient-elles Rimbaud?” refers to a poem by Rimbaud that assigns colours to vowels. In Ramon’s piece, this conceit is not merely given visual expression but inspires a composition that balances colour and form, in which the vowels are transformed from letters into iconic shapes.
The exhibition includes both graphic works and sculpture. The latter comprise two three-dimensional alphabets. “ ‘Metabet’ is recent work - a new geometrical alphabet of stone,” he explains. “The other alphabet is Utopia, invented by the Antwerp humanist Pieter Gillis for the island of Utopia” from the writings of Thomas More. Above all, Ramon’s visual poetry entices the eye and the mind, daring the viewer to see, read and think in new ways. He challenges our definitions of poetry, of art, and of the difference between the visual and the verbal.
One of the pleasures of viewing each piece is the “Aha!” moment when its internal code reveals itself . There is a great, humanistic wit behind these works. As with all good poetry, Oogrijm offers a fresh way of looking at the world - thereby seeing it more clearly.

Diana Goodwin

Uit: Flandria fabulata, 1983

'Zeven kanttekeningen rond en om Ramon'

1. Ook de grote gevoelens worden thans geteisterd door een genadeloos om zich heen grijpende inflatie. Renaat Ramons taaleconomie echter blijft gekenmerkt door een haast vanzelfsprekend evenwicht.

2. Wanneer ik deze zuinige en dus nuchtere dichter lees, dan denk ik aan een uitspraak van Montherlant: 'Il arrive souvent que les têtes des statues antiques ne prennent toute leur beauté que mutilées: ce vide est la place du rêve'.

3. Het gedicht van Ramon lijkt soms het produkt van een soortgelijke, maar dan doelgerichte verminking. De knaging van de tijd, de soms cynische nuchterheid en zin voor relativiteit hebben de tekst ontdaan van zijn fioritures en potentieel aanwezige lyrische volzinnen.

4. Jean Cocteau heeft gesteld: 'Il y a des œuvres longues qui sont courtes. l'œuvre de Wagner est une œuvre longue qui est longue, une œuvre en étendue, parce que l'ennui semble è ce vieux dieu une drogue utile pour obtenir l’hébétement des fidèles'. En Montherlant, die meer aanleg tot misprijzen had, kwam tot volgende vaststelling : 'On fait une chose d'abord par goût, ensuite par devoir, enfin par hébétude'. Bij Ramon, geen gevaar voor lyrisch verstompen of versuffen; zijn nuchterheid, zijn schuchterheid behoedt hem voor ijle breedsprakerigheid en rhetorisch prestissimo.

5. Een en ander heeft duidelijk te maken met het ook mentaal Westvlaamse landschap.

6. De cynische, genadeloze pointes in Ramons werk zijn elegante vormen van een weerbaar engagement. Hij wraakt inderdaad de gestelde lichamen die hun wingewesten en sluiklanden hebben vergeten en veracht.
Mentale verdrukking en materiële onderdrukking staan immers de bliksemende ervaring van de schoonheid in de weg.

7. Niets is verraderlijker dan de ogenschijnlijke onbewogenheid van de introspectie. In elke introvert gaat een activiteit schuil. En de stem van de stilte weegt vaker zwaarder door dan oorverdovender rumoer.
Deze poëzie ligt nog op de loer. Tot – dank zij de lezer – vervuld wordt van woelende, woelende hartstocht.

Henri-Floris Jespers

Renaat Ramon, Rebuten, PoëzieCentrum, 2004.
Voorstelling Boekhandel De Reyghere, Brugge, vrijdag 26 november 2004.


Dames en heren,

Toen de Latijnse dichter Ovidius in ballingschap verbleef in het Roemeense Tomi, probeerde hij de afstand tussen de Zwarte Zee en Rome te overbruggen met verzen. Zijn Tristia (Treurzangen) en Epistulae ex Ponto (Brieven van de Zwarte Zee) zijn elegische brieven in dichtvorm. Samen met de Epistulae van Horatius, vormen deze bundels het begin van een lange traditie van briefgedichten, een merkwaardige combinatie van twee literaire genres: poëzie en briefliteratuur, zonder dat we kunnen beweren dat dit genre ooit echt prominent en continu aanwezig is geweest in de literatuurgeschiedenis. De Fransen hebben er wel een apart woord voor bedacht, épître, en in het werk van Villon, Marot en Voltaire zijn daar nogal wat (soms langdradige) sporen van terug te vinden. De mooiste Franse briefgedichten werden wellicht geschreven door Apollinaire, die met zijn Poèmes à Lou tussen najaar 1914 en begin 1916 vergeefs zijn Louise de Coligny aan zich probeerde te binden. Ook de jonge Goethe schreef briefgedichten en uit de Engelse literatuur vermelden we Keats. Meestal gaat het om gedichten, die de adressaat op een of andere manier kon lezen. Maar het kan ook anders. Toen Petrarca in 1345 brieven van Cicero in Verona ontdekte, was hij niet erg enthoesiast over het totaal andere beeld dat hij er aantrof van de door hem aanbeden Cicero, maar wel des te enthoesiaster over het briefgenre. In zijn Epistulae ad Familiares schreef hij zelfs brieven naar antieke auteurs, waaronder twee briefgedichten gericht aan Vergilius en Horatius. De augusteïsche dichters zullen zijn brieven wellicht nooit hebben gelezen. Waar Ovidius in zijn brieven uit Tomi de ruimtelijke afstand probeerde te dichten, wilde Petrarca over de grenzen van de tijd heen een gesprek aangaan met zijn vereerde antieke voorbeelden.

Met Rebuten, dames en heren, treedt Renaat Ramon eigenlijk in de sporen van Francesco Petrarca. Ramon wendt zich in 35 gedichten tot evenveel figuren uit de Oudheid, onder wie twaalf filosofen en tien dichters, en verder in hoofdzaak nog een paar historici en een aantal vroegchristelijke auteurs. Brieven, en dus ook briefgedichten, zijn het substituut voor wat niet mondeling gezegd kan worden omwille van de afstand in de tijd. Zij vormen als het ware een virtuele dialoog, een inhaalmanoeuvre in de tijd, omwille van de afwezigheid van de adressaat. Maar de geadresseerde wordt daarbij wel tekstueel opgeroepen en aanwezig gesteld. Het overbruggen van de tijd brengt dus twee tijdsdimensies in lijn: het nu van de briefschrijver, het toen van de geadresseerde. En dat is een van de interessante gegevens in deze bundel. Want mag de dialoog virtueel blijven, wat Ramon ertoe drijft vaak onbekende namen aan te schrijven, dat zegt heel veel over hemzelf. Iets daarvan is reeds te vinden in het motto dat hij ontleent aan Julianus, de prefect van Egypte in de 6de eeuw n.Ch. Het epigram over de scepticus Pyrrho van Elis met als titel Graf van een scepticus, luidt als volgt: ‘Pyrrho, zijt ge nu dood?’ – ‘Misschien.’ – ‘Ge weet het niet zeker, zelfs na uw dood?’ – ‘Misschien - ´t is in een graf niet te zien.’ Zo vertaalt Marietje d’Hane-Scheltema in De Spiegel van Laïs. De pointe Misschien - ´t is in een graf niet te zien is een vrije en goede weergave van ... - letterlijk: ik schort mijn mening op; een graf maakt een einde aan een onderzoek. Het scepticisme van Pyrrho lijkt me ook de scepsis, de fundamentele twijfel, te zijn van Renaat Ramon. Maar het is goed te beseffen dat het Griekse scepsis oorspronkelijk betekent: onderzoek. Rebuten is niet alleen de bundel van de twijfel aan alles wat onecht is en systeembevestigend, het is ook een onderzoek, een queeste naar wat recht blijft omdat het echt is.


* * *


Onder de adressaten bevinden zich nogal wat figuren die tussen de plooien van de geschiedenis zijn gevallen, omdat zij in hun tegendraadsheid zelf werden tegengewerkt of opzij werden geschoven. Ramon heeft een bijzondere band met deze kritische geesten. Aan Aristarchos van Samos, die in de 3de eeuw v.Ch. omwille van zijn theorie van het heliocentrisme beschuldigd werd van atheïsme, schrijft de dichter:

Aristarchos –
niet de goden heb je beledigd,
maar de mensen.

In het briefgedicht aan de monnik en theoloog Jovinianus, die vijf eeuwen later in 389 werd veroordeeld omwille van zijn vrouwvriendelijke visie op het christendom luidt het:

Je geschriften zijn verboden en verbrand.
Je bent een ketter, Jovinianus. Gelukkig maar:
kwade dingen sterven niet.

Met hun antithesen en paradoxen illustreren deze twee voorbeelden uit de Griekse en de vroegchristelijke wereld hoe de dichter sympathiseert met wie in de marge van het zogenaamd correct denken moest optornen tegen een mainstream, die elk authentiek vrijdenken in de kiem smoorde en zelfs overging tot boekverbranding. De dichter aarzelt zelfs niet een brief te richten aan Kleanthes van Assos, auteur van de beroemde Zeushymne maar ook van een traktaat tegen de heliocentrist Aristarchos:

Ook voor jou toch is de zon het hart
van de hemel en dragen de woorden het vuur?
Hoe kon je dan tegen Aristarchos schrijven?

En fijntjes voegt hij er aan toe:

Ach, ik weet het, Kleanthes, ik weet het.
Het is een retorische vraag – maar ik wil
wel eens weten hoe je er nù over denkt,
nu je ginds verblijft, ten westen van de zon.

Opmerkelijk is de vertrouwelijke toon waarop de dichter zich tot zijn adressaten richt. In de stijl van de epistolografie hanteert hij in zijn briefgedichten resoluut de jij-vorm. Heel aannemelijk als het figuren betreft me wie hij zich verwant voelt. Maar minder evident als het gaat om auteurs zoals Kleanthes, die hij terechtwijst. De milde toon waarop dit gebeurt, tekent de dichter, die geen rabiate verdediger is van eigen stellingen en zijn correspondenten zelfs uitnodigt zelf mild te zijn. Zoals bijvoorbeeld in zijn gedicht gericht tot de bekeerling Arnobius van Sicca, een retor uit het begin van de 4de eeuw:

Je haat de heidenen, zoals je vroeger
de christenen haatte. Laat ze lopen,
broeder. Het zijn slechts mensen. Goden –
dat zijn tegenstanders op jouw maat.
En zij bijten niet.


* * *


De schrijver Ramon verwacht ook van schrijvers dat zij op de eerste plaats zichzelf zijn. Thucydides, die als strateeg in ongenade geraakte en in Thracië zijn fameuze geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog schreef, is een van zijn geadresseerden. De dialoog van de Meliërs – bladzijden die verplichte lectuur zouden moeten zijn voor alle imperialisten ter wereld, gesteld dat zij zich imperatieven lieten welgevallen – is het schrijnend relaas van de ondergang van het kleine Melos (Milo, waar de befaamde Venus van het Louvre vandaan komt). De Athener Thucydides ontmaskert in die schijndialoog zijn vaderstad, die het recht van de sterkste uitspeelt tegen de moed en de eerlijkheid van het kleine eiland.

Thoukydides – voor mij
is Milos jouw verhaal
van de ondergang:
moed tegen macht
en hoe een doorn steekt
in eigen vlees.

Van Horatius is bekend dat hij voorstander was van de gulden middenweg, de aurea mediocritas (wat al aardig ruikt naar mediocriteit) en dat hij in heel wat Carmina – en dus meer dan alleen maar in zijn bekende Carmen saeculare – zich als een hofdichter profileert in dienst van keizer Augustus. Zijn brief aan Quintus Horatius Flaccus eindigt als volgt:

Je bent een groot dichter, Horatius,
Maar dit valt me tegen van je: je prijst
de middelmaat, de vroomheid en de keizer.

Ook hier geen invectieven dus, maar de stille tegenstem van een zachte rebel, die het opneemt voor literatuur die de felheid van het leven bezingt en geen heren dient. Hoe anders dan tegenover Horatius, klinkt het tot Titus Cassius Severus in het langste gedicht uit de bundel. Van de arme sarcast bleef geen vers bewaard: Augustus liet zijn boeken verbranden en de dichter naar Kreta verbannen. De officiële dichters van Augustus worden in het onderwijs nog duchtig gelezen, moet Ramon bij zichzelf denken, maar ik wil de echte en moedige dichters redden uit de vergetelheid:

En toch, Cassius Severus,
ook nu nog: als jij spreekt wordt het heel stil
aan de boorden van de Tiber, stiller nog
dan aan de oevers van de Acheron.


* * *


Literatuur die literatuur redt van de vergetelheid. Het is een derde thema dat me treft in deze originele en intelligente bundel. Sinds Pindaros richten dichters een tempel van verzen op, die weer en wind weerstaat. Horatius schreef een oeuvre dat duurzamer moest zijn dan brons. Voor Shakespeare zou geen marmer, noch het vergulde monument van vorsten zijn grootse verzen overleven. Het papier leerde Gezelle dat zijn meester allang zou vergeten zijn als de bundel er nog was. Maar wat gezegd van Cornelius Gallus? Van Marcus Pacuvius van Brundisium? Stesichoros van Himera? Thamyris uit Thracië? De dichter stelt hen gerust vanuit het heden. Zijn verzen houden hen in leven: Je woorden wegen, Pacuvius schrijft Renaat Ramon. Of: ook in de steden die na ons komen / zal je naam over de lippen gaan, zegt hij tot Stesichoros. En van Thamyris, wiens stem werd ontnomen door de muzen die zich door hem wisten uitgedaagd, luidt het: Toch heeft je overmoed / je naam bewaard, Thamyris, meer dan je lied. De mooiste troost is weggelegd voor Cornelius Gallus, die naast de zoon van Apollo mag zetelen: Die verzen worden / nergens meer gehoord, Gallus, maar je zetelt / naast Linus, je schaduw baadt in de rivier. Het meest beklemmende eerbetoon krijgt de onbekende historicus Bruttidius, die in de tiende satire van Juvenalis vreest voor de wraak van de keizer. De minimalist Ramon roept de man weer tot leven in één vers van amper vier woorden, die zinderen tegen het wit van papier: Je naam leeft, Bruttidius. Het lijkt een poëticaal statement van de dichter: wat verloren ging, wat slechts fragmentarisch bewaard bleef, wat verzwegen werd of gemuilkorfd, wil ik in herinnering brengen en die herinnering met het woord vasthouden.


* * *


Renaat Ramon schrijft brieven in verzen en respecteert daarbij de eisen van het briefgenre: beknoptheid en helderheid, ondanks de vele allusies op antieke teksten en anecdoten (onder meer van de filosofenbiograaf Diogenes Laërtius). Maar die wegen geenszins op de lectuur dankzij een natuurlijk taalgebruik, wars van elke pedanterie die bij zo’n opzet om de hoek zou kunnen loeren. Ramon schrijft op de eerste plaats vooral epistolaire gedichten, in wisselende toonaarden van bewondering en sympathie, troost en berisping, gedragen door een heel natuurlijk ritme in de sonore verzen. De hele bundel klinkt als een andante, dat rustig en onopgemerkt van auteur naar auteur kabbelt, maar door zijn sterke beelden en een variatie van figuren en tropen steeds weer de aandacht trekt. Op één element wil ik nadrukkelijk wijzen: de metafoor van het vuur duikt vanuit verschillende invalshoeken steeds weer op. De asceet en kerkvader Basilius de Grote wordt gevraagd mild te zijn en zijn discipelen niet te weerhouden van het vuur,
Diagoras wordt gevolgd door het vuur van zijn ongeloof. Aan Euagrios van Pontos schrijft de dichter dat zijn werken verbrand werden, want: Demonen voeden zich met vuur. Julius Montanus laat hij nog eenmaal voordragen: ‘Phoebus begint zijn gloeiend vuur te ontsteken...’ Aan Palamedes vraagt hij in de Hades te waken bij de Phlegethon: en waak ook jij, / aan de boorden van de brandende rivier. En aan de scepticus Pyrrho schrijft hij:

Goed, Pyrrho, goed: laten wij de goden
in het midden, bij het vuur. En laten wij
het vuur aanwakkeren tot het alles
wat aan twijfel onderhevig is verslindt.

Het vuur lijkt me het beeld te zijn van de onderhuidse spanning die bij de zachte rebel Ramon voelbaar is en in zijn ogenschijnlijk rustige verzen steeds weer opvlamt als wat hij ergens noemt: de goddelijke vonk. Het is het beeld van zijn vrijdenken, naar het woord van de surrealist Louis Scutenaire: La poésie, c’est la liberté d’esprit.


* * *


In zijn Rebuten, dames en heren, schrijft Renaat Ramon vanuit het nu naar mensen uit het verleden, die hij voort laat leven in een heden dat niet eindigt, precies omdat literatuur hen vast weet te houden en omdat hun ideeën en wedervaren steeds weer de onze zijn. Rebuten betekent in de handelstaal uitschot. Zo aankijken tegen de Oudheid is iets heel anders dan kijken met de 18de-eeuwse ogen van Johan Winckelmann, die de antieke wereld alleen maar idealiserend kon omschrijven als “edle Einfalt und stille Grosse”. De moderniteit dwingt Ramon ertoe de Oudheid niet meer op een voetstuk plaatsen, maar alleen schuchtere pogingen te ondernemen tot fragmentarische gesprekken met herkenbare figuren, reconstructies om de tijd in te halen, juist zoals hij als beeldend kunstenaar op de kaft van zijn bundel de Griekse zuilen en de architraaf invult met talige elementen. In het licht van figuren, die in de Oudheid in de marge kwamen te staan, is de titel – gedrukt in vurig rood – een schitterende gelaagde vondst: naast uitschot zijn rebuten ook onbestelbare brieven. Want net als Petrarca weet de dichter dat zijn brieven niet zullen aankomen. Hij weet wel dat zijn schrijven verhelderend en bevrijdend werkt voor hemzelf. En dat het antwoord binnen die uitgestelde dialogen zal moeten komen van de lezers van zijn bundel, de eigenlijke adressaten.

Als het zo is dat Renaat Ramon geen antwoorden moet verwachten uit de Hades, laten wij hem en de uitgever alvast toewensen dat de respons hic et nunc des te groter wordt. Daarop en op Renaats dichterschap moeten we drinken, met zijn eigen verzen aan Silvanus, waarin ik één woord wijzig:

“Vanavond,
Renatus, heffen wij het glas op je leven,
drinken wij op je gedichten, geschreven
of niet."

Patrick Lateur

Uit: Digther, jg. 13, nr. 1&2, 2012, p.42

Klemteken

Renaat Ramon (°1936) is wellicht bekender als internationaal gewaardeerd plastisch kunstenaar dan dat hij dat is als dichter en schrijver. Beelden en installaties van hem bevolken in nogal wat landen de publieke ruimte. Renaat Ramon is evenwel een dubbeltalent waarbij ook zijn werk als visueel en literair dichter een erg belangrijke pijler van zijn kunstenaarschap vormt. Voor wie niet zo bekend zou zijn met het werk van deze boeiende (visuele) dichter met een afgelegd traject om u tegen te zeggen, is er nu Klemteken. Deze hele mooie bloemlezing die in opdracht van uitgeverij Poëziecentrum werd samengesteld en ingeleid door duizendpoot Jooris van Hulle, Ramon-kenner bij uitstek, brengt een overzicht van zowat veertig jaar Ramon-tisch werk. Renaat Ramon blijkt ons, voor zover dat nog bewezen diende te worden, in de voorbije decennia een onwaarschijnlijk rijk en apart oeuvre te hebben bezorgd. Klemteken bestaat uit drie grote delen. In het inleidend essay Klemtoon en teken schetst en plaatst Jooris van Hulle het literaire oeuvre van Ramon. Het beeldend werk en de poëzie zijn bij Ramon onlosmakelijk met elkaar verbonden terwijl de visuele poëzie voor een wonderlijke brugfunctie zorgt. In het tweede deel Woordwerk is de poëzie samengebracht. Van Oogseizoen over Noodweer tot de bundels Rebuten en Geheim Besogne die integraal zijn overgenomen. Het derde deel tenslotte brengt in Beeldwerk een selectie van de visuele gedichten van Ramon waarvan er enkele eerder ook in dit tijdschrift zijn verschenen. Of hoe een persoonlijke stem van een dichter ook gevisualiseerd kan worden! ‘Ik heb begrepen en aanvaard dat ik voor de helft uit letters en voor de andere helft uit cijfers besta’, citeert Jooris van Hulle ergens de dichter. Klemteken illustreert en bewijst dit en nog een aantal andere dingen met bravoure. Er is ijdelheid nodig om woorden in het gelid te zetten. Wat een geluk dat Ramon zich daaraan nooit iets gelegen heeft gelaten. Klemteken is een bloemlezing om te koesteren!

Paul Rigolle

Inleiding van de bundel Ongehoorde gedichten.

Denkbeelden

Een dichter die bevestigt dat het woord lijk is geworden en wie het bemint eraan zal sterven, zo’n dichter heeft weinig meer te vrezen wanneer hij de taal te lijf gaat. Ramon treft en berooft haar van haar meest gevreesde wapen: het woord. In de ont-luistering, sprakeloos, codificeert hij in stilte het stoffelijk overschot tot teken van een aparte mythe, met gebruikmaking van de mathematica: cirkel, driehoek en vierkant; punt en lijn.

In zijn strijd uit Noodweer, de titel van zijn vorige bundel, richt de dichter zich tegen de vergankelijkheid, in de zekerheid dat het woord steeds weet te ontsnappen aan wat het juist moet bepalen. Nooit valt het samen met het object. Ramon speelt in op de polyinterpretabiliteit van woorden, die de moderne poëzie mogelijk maakt. Hij doet dat vaak met enige metafysische connotatie en niet zonder enige ironie.

Zijn scepsis ten aanzien van het onvermogen van het woord deelt hij met de concrete dichters in hun streven de relatie tussen de betekenis en het beeld van de taal te herstellen: een taal als teken; constructief in de vorm en alleen symbool of metafoor van een neutrale en objectieve inhoud. Op basis van het alfabet als structureel systeem, tegenover de entropie van de taal waarmee de inhoud oplost en vervaagt, vatten de concrete en visuele dichters de splinters van de woordstam in een nieuwe orde. Het gedicht als consolidatie van betekenis, geconcentreerd in het teken.

Naast dichter is Ramon beeldhouwer, twee functies die niet zijn gescheiden: hij is als dichter een beeldhouwer die de taal herschept en benut als constructief materiaal in haar plastische kwaliteiten. De inhoud was nooit zozeer het doel; de betekenis vormde niet meer dan de aanleiding tot een absolute vorm om het universele te beelden waarin het visuele de centrale rol kreeg.

Ramon is constructivistisch: maatverhouding in maatoverdracht ‘est modus in rebus’.
Naar het devies van Horatius worden beide aspecten tot de essentie herleid in gedichten die niet iets doen horen en niets voorstellen, maar die uitsluitend zijn te zien en tot inzicht leiden. Zo onbetwistbaar als een rechte lijn de kortste afstand tussen twee punten aflegt, zo dicht Ramon in tekens, even ontegenzeggelijk en onweerlegbaar. Uit die evolutie heeft de dichter nu de meest verstrekkende consequentie getrokken. Hij weet zich niet alleen gesteund door de verworvenheden van de concrete en visuele dichtkunst; hij gaat boven alles uit van de klassieke mythe over het ontstaan van de wereld. Die wordt in zijn visie niet teruggebracht tot het woord, maar wel tot een cijfermatig kosmisch principe. Gelijk een kosmograaf ontwerpt hij nu, na het totale fiasco van de fysieke taal, op het substraat van het alfabet, een systeem van tekens. De taal is, met Chomsky, weer spiegel van de geest. Haar tekens zijn nog vrijwel uitsluitend ontleend aan de exacte wetenschappen.

Getal en taal komen in het gedicht weer in verhouding tot elkaar. Ramon maakt onder meer gebruik van overeenkomsten tussen cijfer en letter, bij voorbeeld de 0 en de O, zie ‘o, Pascal –‘ waarin de cirkel tot een oneindige macht is verheven ter definiëring van het universum als een bol waarvan het middelpunt overal en de omtrek nergens is. Een ‘denkbeeld’ van idee en vorm, tekst en teken, code en icoon.

De creatieve vrijheid die de dichter ondanks of dankzij de beperking en verdichting behoudt, is vervuld van het streven naar harmonie waarin letter en cijfer, de absolute brandpunten van Ramons codificatie, tegen elkaar worden afgewogen of met elkaar gemengd, met name waar zij visueel samenvallen. Cijfer en letter, absolute en objectieve tekens, zijn de gewichten op de weegschaal. De relatieve verhouding van hun volumes vormt de verwijzing naar de maat in de dingen. Die is zelden de menselijke, d.w.z. subjectieve maat, maar veel meer de gevolgtrekking van de stelling van Pythagoras a² + b² = c², d.w.z. een continuüm van evenwichtige verhoudingen binnen de cirkel of kringloop.

Ramon ziet het gedicht als een totaalbeeld dat betekenis ontleent aan zichzelf, te wijten aan zijn structuur, waarin de beeldende elementen onderling worden afgewogen en een geringe afwijking een zekere spanning kan veroorzaken.
Hij houdt de gangbare taal met haar metaforisch karakter en neiging tot entropie in het oog: zijn tekens beschrijven ‘zon en rivier’, met de meanderende rivier in omega bij dag: O, evenals ‘maan en rivier’, een ander stroomgedicht van de Amsterdamse Y onder de letter van de nacht, uitmondend in een ‘lyrisch landschap’.
Hij erkent vooral de coderende eigenschappen: in ‘ogentroost’ is de gebruikelijke code vervangen door die van een magisch schrift, oud Iers (ogam).

Op diverse manieren bevestigt Ramon dat taal een veranderlijk medium is en nooit tot mode mag vervallen. In ‘postmodernisme’ toont hij zijn scepticisme ten aanzien van de taal die zich uitput en kritiseert hij het systeem van echoënde citaten. De dichter heeft juist tot taak een andere, nieuwe taal te scheppen, uit het stof en met de bouwstenen die de media bieden. In ‘postlettrisme’ brengt hij dan ook de vervallen tekens opnieuw, nu meetkundig, tot elkaar: ordo ab chaos.

Ramons poëzie is uitzonderlijk en ongehoord. Zijn vers stelt aan de orde in welke mate de taal er niet in slaagt de dingen waar te nemen én voor waar aan te nemen. Daartoe brengt hij het (on)gehoorde woord naar het beeld en het cijfer tot het (on)denkbare getal. Zo, als iedere dichter, wapent Ramon zich in zijn optiek tegen de klokslagen van de onontkoombare tijd, het kruis in ‘kwadratuur van de dood’.

Erik Slagter

Uit: Nieuwsbrief 31/6 Orde van den Prince, juli 2012, p.15

Klemteken van Renaat Ramon

In het voorjaar werd de nieuwste dichtbundel van dichter, essayist en beeldend kunstenaar Renaat Ramon, lid van de afdeling Houtland, voorgesteld in Bibliotheek Scharpoord in Knokke-Heist. Dat gebeurde in de vorm van een interview met literair recensent Jooris van Hulle, eveneens lid van de afdeling Houtland en samensteller van Klemteken. Jooris zorgde ook voor een uitvoerige inleiding bij de bloemlezing, die door het Poëziecentrum in Gent voorbeeldig werd uitgegeven. Ze bevat naast een representatieve selectie uit zijn twaalf dichtbundels, waaronder de volledige bundels Rebuten (2004) en Geheim besogne (2006), ook heel wat ‘Beeldwerk’ van de kunstenaar. Achteraan vindt de lezer een beknopte bibliografie met primaire en secundaire literatuur. Maar informatie is te vinden op de webstek www.renaatramon.be.

Renaat Ramon (°Brugge, 1936) is de auteur van gedichten, visuele poëzie, aforismen, monografieën en essays, maar hij is ook bekend als performer en beeldend kunstenaar. Ramon wordt door Luc Pay gezien als een “demiurg” die een nieuwe wereld creëert en door Alain Germoz als “le maître des signes” die een nieuwe taal hanteert. Hendrik Carette heeft hem de titel “wiskunstenaar” toebedacht, een kwalificatie die zowel slaat op de poëtische precisie waarmee Ramon zijn kritische klemtekens legt als op de mathematische exactheid van zijn beeldend werk. En samensteller Jooris van Hulle typeert hem in zijn inleiding eenvoudigweg als “de dichter van de stilte”. Al die kwalificaties wijzen alleszins op de grote veelzijdigheid van de dichter en kunstenaar.

Titels als Oogseizoen, Ansichten en Zichtbare stem zijn kenmerkend voor zijn dubbeltalent en ook Klemteken is een typische Ramon-titel: een neologisme dat de twee aspecten van zijn poëtische besogne, het woord-werk en het beeld-werk, perfect verenigt. Daarover schrijft samensteller Jooris van Hulle: “Ramon werkt aan een opus, waarin beeldende kunst en poëzie niet vanuit de antithese worden beoefend – hoewel ze uiteraard hun eigen wetmatigheden kennen -, maar in een volgehouden beweging naar een synthese worden omgebogen die haar fundament vindt in de beheerste en doordachte vormgeving.”

In een gesprek met Jooris van Hulle, gepubliceerd in 2005 in Poëziekrant, ging Ramon dieper in op de plaats die de visuele poëzie in zijn oeuvre inneemt: “Ik heb begrepen en aanvaard dat ik voor de helft uit letters en voor de andere helft uit cijfers besta. De cijfers heb ik nodig, broodnodig, om de platonische lichamen te construeren waarop mijn sculpturen gebouwd zijn. Mijn visuele poëzie staat uiteraard tussen de twee disciplines die ik beoefen in, de beeldende kunst en de poëzie. Ik beschouw de visuele poëzie wel degelijk als literatuur, dit dan vanuit de poging om de taal te maken die voor een breder publiek toegankelijk is.” Wie nader wil kennismaken met deze intrigerende kunstenaar, heeft aan de pas verschenen bloemlezing alvast een hele kluif.

Guido Theunissen (2012)

Titelinformatie afkomstig van het NRC

RENAAT RAMON (1936) is een Brugse dichter, essayist en beeldend kunstenaar. Zijn dichtbundel Ongehoorde gedichten bevat zogenaamde concrete poëzie en is dus meer teken dan taal. Een van zijn motto’s is afkomstig van Wittgenstein en luidt: ‘Was gezeigt werden kann, kann nicht gesagt werden’. Erik Slagter, in een diepdravend voorwoord, noemt Ramons gedichten terecht ‘Denkbeelden’. Ramon werkt constructivistisch met letters, cijfers, wiskundige tekens, vierkanten, driehoeken en cirkels. Een talig element is de titel, bijvoorbeeld ‘zelfportret’, ‘voortekens’, ‘evolutie’, ‘zon en rivier’. Deze titels geven een indicatie hoe het gedichtbeeld gelezen kan worden, ze vervangen het beeld vanzelfsprekend niet. Wat poëzie in romans visie eigenlijk is, wordt uitgedrukt met een kloek wortelteken geplaatst voor een liggende acht: poëzie is de wortel van het oneindige. Ramons poëzie is van hoge kwaliteit; met eenvoudige middelen bereikt hij een treffend resultaat.


T. van Deel

Uit: Kunsttijdschrift Vlaanderen, jg.61, juni 2012, p.182.

Klemteken. Bloemlezing samengesteld en ingeleid door Jooris van Hulle.

Renaat Ramon is een even eigenzinnig als vastberaden dichter en beeldend kunstenaar. Hij is dat niet het minst in zijn opzet om de conventionele status van de poëzie te verbreden met de visuele poëzie en in zijn parallelle poging om taal een universeel statuut te bezorgen. Ramon spitst zijn aandacht toe op het woord dat hij in zijn luisterbaarheid in ere wil herstellen. Nochtans leek het erop dat de dichter na een tijd ging twijfelen aan de kracht van het woord op zich, wat ervoor zorgde dat hij zijn gedichten steeds minder verbaal ging stofferen en om te zoeken naar een zo naakt mogelijke zegging. De afkeer voor het eeuwenoude misbruik van de taal is daaraan uiteraard niet vreemd. In zijn beeldgedichten ging Ramon zich toeleggen op het integreren van geometrie, in het bijzonder de elementaire vormen van cirkel, vierkant en driehoek. Dat leidde tot bundels als Ongehoorde gedichten (1997) of Zichtbare stem (2009), met daartussen kleinere bibliofiele uitgaven waarin de dichter rijkelijk maar tegelijk met beheerst vakmanschap experimenteerde met beeld en woord. Ter bevraging van het medium taal en, bij uitbreiding van de poëzie an sich, is het werk van Renaat Ramon onontbeerlijk geworden. Hij zet de lezer geregeld aan het denken, spelend op aha-erlebnis en déjà vu. In een sterk iconologisch opzet doet Ramon denken aan Roger McGough, die al in 1971 in een aantal geïsoleerde gedichten de iconologische relatie van woord en beeld, van werkelijkheid en verwoording ervan wist af te tasten. Ramon voegt daar als verdienste aan toe dat hij zijn eigen poëtisch project over volledige bundels heeft uitgespreid en ongemeen verrassend uit de hoek kan komen. Bovendien heeft Ramon in eerder werk aangetoond over een vlekkeloze technische beheersing te beschikken, ook al vindt zijn latere programma er zijn voorafspiegeling in: ‘Je zult voor de woorden niet buigen. / Maar het is goed hier te zijn / - vooral voor onbehuisden - / wachtend op de stilte voor de vorm’.

Stefaan van den Bossche

Uit: Kreatief, 1998-2, p. 127-128

Het ‘Getaal’ van Renaat Ramon

Onder de noemer ‘Praxis’ sloot Renaat Ramon zijn gedichtenbundel Noodweer (1987) af met een twaalftal fijnzinnige en pertinente pictogrammen. Voor de ingewijden in de avant-gardeliteratuur niet direct een verrassing. Ramon had immers o.a. in de tijdschriften De Tafelronde en Radar al laten blijken dat de ‘bon usage’ van de taal kon uitgebreid worden via grafisch-picturale ingrepen. We zouden kunnen stellen dat betekenissen aldaar eerder door ‘betekeningen’ werden gegenereerd en niet langer door een traditionele versvorm waarin het woord via zijn associatieve context betekenisgevend was.

In zijn Ongehoorde Gedichten gaat Ramon door met zijn exploratie van de grafischspatiale expressiemogelijkheden van de taaltekens. Zijn demarche gaat uit van de evidentie dat het schriftbeeld in eerste instantie een beeld is, een systeem van tekens die, los van hun gecodeerde bestemming binnen een bepaalde syntaxis, een nieuwe betekenisruimte kunnen scheppen. Dit veronderstelt een ‘ars combinatoria’ waarin de ruimtelijke elasticiteit van de taaltekens zich leent tot een integratie binnen taalvreemde componenten, die bij Ramon bij voorkeur uit de geometrie worden geselecteerd.

Met deze symbiose van de ons vertrouwde letter- en cijfertekens met extra-linguïstische elementen construeert de dichter een reeks kijkdichten die Erik Slagter, auteur van een doordachte inleiding, terecht ‘Denkbeelden’ noemt. Het resultaat van deze operatie is, zoals zoveel avant-gardewerk, een terugkeer naar de oorspronkelijke betekenis der termen. In het denkbeeld immers verwijst een ‘figuurlijke’ taal naar een ‘letterlijke’ betekenis. In zijn semiosis, zijn tekengebruik, wijkt Ramon niet af van de stijlcomponenten die zijn plastisch werk karakteriseren. De heldere en dwingende rechtlijnigheid, gericht op essentie en evenwicht, zijn ook hier bepalend voor de iconociteit van deze ‘Dichtung’. Ramon isoleert, cirkelt, construeert, creëert reeksen die binnen zijn rigoureus concept toch nog aardig wat variatie brengen. Liever dan te polemiseren ironiseert hij, eerder dan te expliciteren reduceert hij. Als er in zijn dooreengeschud alfabet wanorde en willekeur dreigen, corrigeert hij berispend: ‘Comment Ramon?’

Kan men de Ongehoorde Gedichten onder de veelzijdige uitingen van visuele poëzie onderbrengen, zij maken geen expliciete aanspraak op de kwalificatie concrete poëzie. Ze zijn strict gezien niet geconcipieerd als een mededeling van eigen structuur, maar veeleer als ideografische substituten voor een kritische of louter esthetische reflexie. Ze kunnen dus terecht de bijhorende en meestal snedige titels in de marge niet missen.

Met zijn bijzonder fraai uitgegeven boek verstevigt Renaat Ramon zijn plaats bij de vermetele maar intelligente voorhoede van het dichtersbent in de Nederlanden. Hij houdt een continuïteit aan de gang van bezinning over de taal en haar onvermoede expressiemogelijkheden. Een verademing bij het pijnlijke proces van simplifiëring waar zoveel actuele poëzie aan laboreert. Verschenen precies honderd jaar na ‘'Un coup de dés jamais n'abolira le hasard’ van Stéphane Mallarmé, met wie het visuele experiment binnen het modernisme begon, krijgt het werk er nog een verheugende symbolische betekenis bij. Ramon bevestigt het: ‘L'essence de l’art est de figurer le mystère et non de l’expliquer’ (J.S. Péladan).

Jan van der Hoeven

Uit: Op het Kruispunt, jg. 40, nr. 18, sept. 1999, p. 96-97

ONGEHOORDE GEDICHTEN

De publicatie van Renaat Ramons Ongehoorde Gedichten kon voor velen wel eens de indruk van een verschijning wekken.
Als slachtoffer van handig opgezette commerciële strategieën krijgt de gemiddelde poëzielezer een almaar eenzijdiger wordend beeld van de actuele Nederlandstalige poëzie opgedrongen. Geen revoluties meer, geen manifesten, geen strekkingen die met de nodige dosis overmoed in verhitte debatten worden toegelicht. Indifferentie alom, en een vrij egaal verlopende (over)productie naar grootmoeders wijze.
Men krijgt de indruk dat de inzichten in het fenomeen poëzie, verworven via de diverse aspecten van het modernisme, de semiotiek en de linguïstiek zonder gevolg bleven hij de praxis van tal van hedendaagse dichters. De restauratie van het establishment lijkt elke zin voor een creatief risico in de kiem gemoord te hebben.
Ook schijnt een opvallend gemis aan kennis van het verleden en van het dialectische verloop van de geschiedenis der letteren tot een soort argeloze poëzie te verleiden, waarbij men zich geregeld aan de vooravond van de Tachtigers kan wanen.
Men voege daar enige xenofobie aan toe ten opzichte van wat zich over de grenzen heen voordoet en men beschikt over de essentiële ingrediënten om een gezapige, caloriearme en taalvreemde poëzie te serveren.

Ramon, die jaren geleden zijn zoektocht naar een nieuwe taal in de tijdschriften Radar en De Tafelronde vooropstelde en intussen als beeldend kunstenaar een originele identiteit wist te demonstreren, heeft zich nu nadrukkelijk naar de ei-sprong en vaak naar de o-sprong gekeerd.°

Uitgaand van de ruimte als tekstconstituent gegeven heeft hij voor een nieuw schrijfspoor gekozen, een grafische articulatie waarin spel, kritische reflexie, ironie binnen een geometri-sche structurering van letters, leestekens en cijfers een eigensoortige communicatie genereren. Hier dient nochtans te worden aangestipt dat bij dit communicatieve proces een bewuste taalexploratie mede aan de gang is. Aldus wordt de fysionomie van onze taaltekens une réapparition à un autre endroit.
Een bescheiden aangewende gestiek waarbij expansie, reductie, metriek, rijen en spatiëren vormbepalende factoren zijn, bezorgt deze ‘denkbeelden’ een gevarieerde, speelse maar bedwongen dynamiek. Het heldere evenwicht dat Ramons beeldwerk kenmerkt, bepaalt ook hier zijn rechtlijnige concept.
Zonder nadrukkelijk te domineren wijzen geometrische coördinaten de weg. Onze taaltekens zijn immers, althans in hun kapitalen, puur geometrische constructies. In combinatie met symbolische tekens, speelse kalligrafische fragmenten en gemanipuleerde flarden tekst zijn Ramons betekenaars in de eerste plaats grafisch van aard. Hun zingeving is niet altijd meteen evident. Net als bij een discursief verlopende tekst wordt de kijker-lezer tot een ruim interpretatievermogen uitgenodigd. Het gaat hier niet om een louter esthetiserende ars combinatoria, maar om een tekstgebeuren waar polemische standpunten en kritische vingerwijzingen subtiel en niet zonder ironie een substantieel deel van uitmaken. In die zin dienen postlettrisme, postmodernisme en neoclassicisme respectievelijk op de bladzijden 27, 29 en 31 te worden gelezen.
De grafisch-spatiale aard van dit soort poëzie, met haar eigen gelding en syntaxis, waarbij het discursieve het aflegt ten opzichte van de directe apperceptie, de all-at-once-ness, calculeert het verlies in van de fonische waarden van de taal. De grafische dominantie impliceert meteen zelfs betekenisverlies van termen als klinkers en medeklinkers. Binnen het concept van de ‘exclusieve’ visuele poëzie zwijgen de tekens. De blanco ruimte, de spatie, het wit tussen de woorden (Mallarmé) wordt een constitutief gegeven dat de stilte helpt te accentueren. Ramons gedichten dragen derhalve terecht de kwalificatie ‘ongehoord’ mee.
In tegenstelling tot de verbofonische poëzie, die zich toelegt op de specifiek fonische aspecten van de taal, doet de concrete poëzie er het zwijgen aan toe. Voor Eugen Gomringer, theoreticus en practicus van concrete gedichten, is de stilte om en rond zijn Konstellationen een essentiële betekenisdrager.
Wat bij nader toezien hij Ramon opvalt is het vaak terugkerende teken O. Het draagt in zich de merkwaardige meerduidigheid van letter, cijfer en punt. Wellicht fungeert het nog het meest als symbool van een volmaakt sluitende icoon dat begin noch einde kent en naar binnen of naar buiten gekeerd niets van zijn identiteit inboet.
Met zijn bijzonder fraai uitgegeven Ongehoorde Gedichten zet Ramon met talent en intelligentie de traditie voort van een intrigerende beweging die inderdaad concreet werd met het manifest dat Övind Fahlström in 1953 uitgaf. Aldus zet Ramon met succes zijn taalexploratie verder en vat hij post in de voorste gelederen van de literatuurvernieuwers.
Een zeldzame vogel die ontsnapt is aan de volière van de actuele zelfgenoegzaamheid en chronische middelmatigheid.

De bundel Noodweer (1987) werd afgesloten met een tiental pictogrammen.


Jan van der Hoeven

Color-field poetry: de stille sonnetten van Renaat Ramon

De geruchten rond Ramons Ongehoorde Gedichten zijn nauwelijks verstomd of daar verschijnt, niet in Lourdes noch in Fatima, wel bij uitgeverij Velvet in Brugge een intrigerend, losbladig album. De omslag in vier kleuren wijst de naam aan van de auteur boven de woorden color, field en poetry. Het Amerikaanse woord color, dat uiteraard voor kleur staat, is groter van afmetingen dan de termen field en poetry. Field zal hier vermoedelijk veeleer speelterrein dan slagveld suggereren en wie zal zich aan de vertaling van poetry wagen? Maar goed, etymologisch gaat het woord terug op het Griekse ‘poiein’, dat maken betekent. Er is hier kennelijk iets in de maak.(*)

Ramon die met zijn Ongehoorde Gedichten geometrische taalstructuren van nieuwe, vaak meerduidige betekenissen voorzag, verlaat hier, steeds vanuit zijn taalexperimentele vraagstelling, het specifieke taalarsenaal voor een ontwerp met zuiver picturale of pictografische elementen. Hij construeert elementaire geometrische vormen in diverse, subtiele kleurschakeringen naar de bekende fysionomie van het traditionele sonnet. Deze demarche, van een subtiele eenvoud en een intelligente verbeelding, resulteert in het toekennen van een meerduidigheid aan de grafisch-picturale tekens. Op zichzelf zouden die aanspraak kunnen maken op een zekere autonomie, ware er de bewuste referentie niet aan het formele schema van het sonnet. Hoe talrijk de grafische en kleurvarianten ook zijn en hoe prettig speels ze ook geconcipieerd mogen zijn, ze blijven ingelijfd in het ‘vorgeformte’ patroon van het sonnet. Het is deze relatie die binnen de bewust nagestreefde meer-duidigheid hun primaire betekenis oplevert, maar het is ook de ultieme draad waarmee het grafisch-picturale gegeven nog met literatuur, met poetry, verbonden blijft. Deze mutatie van een specifiek literair-historische vorm naar een quasi autonome grafische orkestrering is binnen de evolutie van de visuele poëzie een unieke ingreep. De combinatie van Ramons bekend geometrisme met zijn intelligente taalironie genereert hier een subtiele maar ook ultieme realisatie.
Op de omslag staat het woord poetry helemaal onderaan en in de kleinste letter. Binnen deze context is het overduidelijk dat haar gangbare betekenis sterk gereduceerd werd en dat ze hier alleen maar overleeft op basis van haar oorspronkelijke etymologische achtergrond. Afgezien van de sublieme eenvoud, de ultieme reductie en de geraffineerde esthetiek waarmee het complexe sonnet naar een elementaire beeldtaal getransfigureerd wordt, zou het mij verbazen wanneer het in deze color field poetry louter om die semiotische transpositie zou gaan, hoe interessant het proces in se ook is.
Het is aan te nemen dat ook hier, zoals zo vaak in het werk van Ramon, tussen de regels in, en dan letterlijk, een ironische toets de charme van het geheel helpt bepalen. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat hij met zijn ‘silent poetry’ ook de eeuwige wederkeer van het sonnet in de traditionele poëzie op de o zo fijne korrel heeft willen nemen. Een kritische vingerwijzing in de richting van een soort lite-ratuur die amechtig overeind blijft, krachtens het altijd opnieuw volstoppen van het stereotiepe schema van het sonnet dat intussen vijfhonderd jaar oud is. Het sonnet, dat door zijn historiciteit tot icoon geworden is, kreeg nu een iconografische dimensie van een andere orde. Binnen de geschiedenis van de visuele poëzie een ver-rukkelijke vondst.

(*) De titel refereert uiteraard ook aan de color-field painting van Barnett Newman, Mark Rothko, enz.


Jan van der Hoeven
Uit: Kreatief, 2002 – 2, p. 127-128

Met een voorbeeldige regelmaat publiceert Renaat Ramon in Poëziekrant zijn visuele gedichten. Daarom komt zijn bundel ‘Rebuten’ misschien enigszins verrassend over: 35 briefgedichten waarin hij zich richt tot bekende en minder bekende figuren uit de Oudheid en de eerste eeuwen van onze tijdrekening. Een bundel waarin de stem en de persoon van de dichter zelf nooit ver afwezig zijn.

Omdat wij ons laven aan dezelfde bron

Ervaar je de visuele poëzie en de woordpoëzie vanuit een soort spanningsveld of is het zo dat beide genres elkaar aanvullen?

‘Ik ervaar het zeker niet als een spanning of als een tegenstelling. Ik heb begrepen en aanvaard dat ik voor de helft uit letters en voor de andere helft uit cijfers besta. De cijfers heb ik nodig, broodnodig, om de platonische lichamen te construeren waarop mijn sculpturen gebaseerd zijn. Uiteindelijk heb ik ook met cijfers poëzie gemaakt, zoals blijkt o.m. uit mijn bundel concrete poëzie Ongehoorde Gedichten (1997). Zelfs een sonnet.
Eén van de motto’s in die bundel is de conclusie van Wittgenstein: ‘Ultimately, mathematics is poetry’. Trouwens, de metriek, die van Griekse origine is, is een lineair, welhaast meetkundig systeem, een ritmische afwisseling van lang en kort. Dat is belangrijk. In oosterse culturen, ook in de Egyptische, vallen woord en wereld vrijwel samen, God schept de wereld door het spreken, door zijn wil te uiten. Dat heeft dus ook een auditief aspect. Maar aan de Griekse kosmologie komen geen woorden te pas – het getal is God. De Griekse kunst is, de bouwkunst zowel als de literatuur, maat en ritme. Daar hou ik van. En daarom vraag ik aan Archytas van Tarente: ‘Cijfers sterven niet, en is een welgevormde / formule niet mooier dan een gewelfde vrouw?
Mijn visuele poëzie staat uiteraard tussen de twee disciplines in die ik beoefen, de beeldende kunst en de poëzie. Waar die voor mij aanvankelijk duidelijk van elkaar gescheiden waren, heb ik gaandeweg ervaren dat het ene het andere begon te beïnvloeden: in mijn gedichten maakte ik toespelingen op mijn beeldend werk, en omgekeerd wilde ik o.m. in de titels van mijn beeldenconstructies wel eens verwijzen naar de literatuur. En de visuele poëzie is uiteraard het genre dat beide disciplines verenigt en sterk in het verlengde van de taal ligt. Ik beschouw de visuele poëzie wel degelijk als literatuur, dit dan vanuit de poging de taal te verruimen en een soort nieuwe, universele taal te maken die voor een breder publiek toegankelijk is. Een kritische instelling is daaraan niet vreemd; anderzijds heeft de concrete poëzie in bepaalde gevallen ook een metafysische dimensie’

Situeert het onderscheid zich dan vooral op het vlak van het creatieproces?

‘De visuele poëzie heeft haar wortels in het samengaan van tekst en beeld. Het komt erop aan beide te laten samenvallen. Ik moet trouwens deze wisselwerking, dit identificatieproces in het kader van de geschiedenis van de visuele poëzie waaraan ik momenteel werk, precies trachten te definiëren. Wat mij in de eerste plaats aanspreekt, is die vorm van concrete poëzie die louter met letters, tekst en tekens werkt. Letters hebben trouwens een mooie vorm. Ik weet niet of je kunt zeggen dat een letter op zichzelf een betekenis heeft – ook daar bestaat een linguïstische discussie over - , maar de karakters, de typografische tekens, hebben me altijd bijzonder geboeid. Ik meen dat je door iets aan de letter te veranderen ook iets aan de betekenis kunt veranderen, zonder dat je daarom direct kunt definiëren wat de nieuwe betekenis is. Je voelt dat er een betekenisverandering optreedt en dat is misschien wel de essentie van poëzie, zelfs van kunst. En in wezen zit daar ook een reactie in tegen het misbruik van de ‘gewone taal’ door de politiek, de reclame… en soms ook wel door de dichters zelf.’

De broosheid van woorden, terwijl tekens moeilijker te manipuleren vallen…

‘Het teken stijgt inderdaad boven het gewone woord uit. Ik heb de concrete poëzie overigens verruimd door het invoeren van andere tekens dan alleen lettertekens. Oorspronkelijk gebruikte men binnen de concrete poëzie alleen teksten of letters, terwijl de visuele poëzie meestal een combinatie is van tekst en beeld, verwant aan de collagetechniek. Ik heb er andere codes aan toegevoegd, bijv. mathematische en zelfs weerkundige tekens. Het heeft, zoals Paul Valéry ooit beweerde, geen zin iets te schrijven dat niets aan het bestaande toevoegt.’

Zowel uit je visuele poëzie als uit de bundel ‘Rebuten’ spreekt een nadrukkelijke aandacht voor de vorm, die primeert boven de boodschap, als die er al zou in steken.

‘Ik zou geneigd zijn om hier ‘ja’ op te antwoorden. ‘Boodschap’ is natuurlijk een groot woord, net zoals engagement trouwens, maar het is toch niet zo dat er geen stellingname zou in zitten. Maar in de beroemde discussie over ‘vorm en vent’, zou ik toch kiezen voor de vorm, al weet ik heel goed dat vorm zonder inhoud niet kan, en omgekeerd. Uiteraard spelen hier mijn vorming en mijn bezigheid als beeldend kunstenaar mee, het domein waarin ik in de eerste plaats een strenge vormgeving beoog. Mijn gedichten zijn, de enkele keren niet te na gesproken dat ik in de visuele poëzie de sonnetvorm heb gebruikt, niet gebonden in de klassieke zin van het woord. Vanuit formeel oogpunt primeert voor mij het ritme van de verzen.’

Voor je nieuwe bundel heb je voor de briefvorm gekozen. Nu leven wij in een tijd waarin nog weinig echte brieven worden geschreven….

‘Het is mijn manier om me tot die mensen te richten. Je kunt met mensen die een paar duizend jaar geleden gestorven zijn, een fictief gesprek voeren, maar dat leek mij niet aangewezen. In de Oudheid werden veel brieven geschreven, het was bijna de enige vorm van communicatie. Nu zijn de figuren tot wie ik me richt wel dood, maar voor mijn gevoel leven ze. Ik zou hier kunnen spreken van ‘le commun des immortels’, maar dat zou een vorm van ijdelheid zijn. Dat ze er zijn voor mij, hangt samen met mijn tijdsbesef. Door het feit dat ik met die mensen bezig ben, zijn ze er gewoon en dan maakt het niet uit of ze nu gestorven zijn of niet. In die zin dient ook het motto van de bundel begrepen te worden: in de tekst van Julianus van Egypte antwoordt Pyrrho dat hij er niet zeker van is dat hij dood is, zelfs niet na zijn dood. In ‘Aan Bruttidius’ verwoord ik het heel laconiek als volgt: ‘Je naam leeft, Bruttidius’. Voor mij is dit een essentieel besef: je bestaat, je leeft, zolang je naam leeft.’

Petrarca richtte zich in zijn ‘Epistulae ad familiares’ tot de figuren uit de Oudheid die hij bewonderde. Zijn ook jouw ‘Rebuten’ gebaseerd op dergelijke bewondering, of is er meer aan de hand? ‘Bewondering voor de klassieke, met name de Egyptische en Griekse beeldhouwkunst en architectuur heb ik van mijn vader geërfd. Deze kunst is, inderdaad, onovertroffen en wellicht ook onovertrefbaar. Dat maakt het maniërisme begrijpelijk. En het maakt ook de beruchte wens van de futurist Marinetti om het Louvre te verbranden begrijpelijk. Zijn woorden werden overigens onlangs door een locale journalist in mijn mond gelegd… Maar ik heb mij wel degelijk afgezet tegen de eindeloze imitatie en variatie van klassieke vormen en geijkte modellen. Zo werd ik een adept van het modernisme, van de revoltes die de eerste decennia van de twintigste eeuw zo boeiend maken: expressionisme, dada, futurisme, abstractie, surrealisme… Ik heb gekozen voor de positieve filosofie van het constructivisme en van De Stijl, die ook een sociaal aspect en een metafysische achtergrond heeft.
Maar gebleven is de kritische opstelling die mijn vorige bundels (Oogseizoen, Ansichten, Noodweer) kenmerkte.’

Hoe ben je concreet te werk gegaan?

‘Rebuten is, meen ik, qua stijl en thematiek een vrij homogene bundel. Maar het is uiteraard niet zo dat ik even ben gaan zitten om eens iets over de Oudheid te schrijven. Dit is de neerslag, het residu, van een langdurige omgang met ‘het klassieke erfgoed’, ook van mijn Griekse expedities. De eerste rebuten werden reeds in 1999 gepubliceerd.
Ja, hoe werkt dat? Je noteert een origineel idee, een anekdote die je treft, je wordt gefrappeerd door de ironie en het bizarre van de geschiedenis… Op een gegeven ogenblik rijgen de regels zich haast onwillekeurig maar ook onweerstaanbaar samen.’

Het valt toch op dat je in je brieven een aantal minder gekende figuren opvoert. Horatius en Sallustius zullen voor velen geen illustere onbekenden zijn, maar van iemand als Bruttidius bijv. kennen we alleen de naam omdat hij geciteerd wordt in de tiende satire van Juvenalis. Waarom heb je geen verklarende annotaties opgenomen in de bundel?

‘Ik vond dat het wat arrogant zou overkomen zomaar alle verklaringen te geven. Ik ga er niet van uit dat mijn lezers niet in staat zijn een naslagwerk te raadplegen. Wie zich een beetje moeite getroost, zal opmerken dat alle personages te traceren zijn. Als een soort compromis heb ik, in afspraak met de uitgever, de verwijzingen trouwens, zoals vermeld op de flap van de bundel, op mijn website gezet (www.geocities.com/renaat_ramon).
De brieven zijn weliswaar onbestelbaar maar toch zijn het vragen en berichten aan tijdgenoten, ze overbruggen een geografische afstand.’

Voor het omslag van je bundel grijp je terug naar een visueel gedicht dat ooit verscheen in je bundel ‘Ongehoorde gedichten’ en waarin teken en taal harmonieus samengaan.

‘Het gedicht was inderdaad heel toepasselijk: het gaat met zijn Griekse lettertekens en de Griekse zuilen over de Oudheid, maar het heet wel ‘postmodernisme’. De tekst zelf is niet leesbaar, ik wilde het abstractiegehalte zo intact mogelijk houden. Het gedicht is trouwens ontstaan voor ik met de ‘Rebuten’ bezig was. Ik heb het nu gerecupereerd.’

Je hebt de gedichten in ‘Rebuten’ alfabetisch gerangschikt naar de bestemmeling, van Archytas van Tarente tot Xenofanes van Kolofon. In het openingsgedicht spreek je de bestemmeling onmiddellijk op een heel directe manier aan: ‘Niets lijkt ons boeiender, o Archytas, / dan het stapelen van cijfers.’

‘Ik creëer door het gebruik van de jij-vorm als aanspreking en verder door de wij-vorm een hechte band met de figuren die ik aanschrijf. Ik wees er al op: die mensen leven echt voor mij, ze zijn me op een of andere manier heel nabij. Het zijn vrienden. Nou ja, niet allemaal.’

Archytas boeit je vooral door de belangstelling die hij had voor de wiskunde….

‘Hier spreekt de constructivist. Voor het Delisch probleem dat in het gedicht ter sprake komt, de verdubbeling van de kubus, algebraïsch eenvoudig op te lossen, vond Archytas een geniale meetkundige oplossing. Zijn denken verbond mechanica en meetkunde. Vandaar dat hij ook praktische toepassing zocht en automaten bouwde. Hij moet erin geslaagd zijn een kunstmatig vliegende vogel te maken. Daarom schrijf ik hem: ‘Je hebt de hemel gemeten, Archytas, / het zand en de zee; een vederloze / vogel gebouwd uit het taaie hout / van de tamarinde – een vogel / die allen op jouw bevelen vloog.’ Hij was zowat de Da Vinci van zijn tijd.

Uit die verzen blijkt onmiddellijk ook je aandacht voor de stijl van de verzen. Je gebruikt allitteraties, binnenrijmen, herhalingen…

‘Le style est le poète même. Een vers moet een eigen vorm van schoonheid hebben. Het gebruik van allitteraties is een aangeboren neiging. Ik tracht ook een natuurlijk ritme te behouden, niet vanuit een streng metrisch schema, maar via een aantal hoofdaccenten dat het vers harmonieus vloeiend moeten maken. Scutenaire zei ooit : ‘Je ne suis pas écrivain, je suis un être sonore.’ Ik geloof ook dat poëzie gemaakt is om te horen. Ook al lees je die stil voor jezelf, dan nog hoor je met je inwendig oor of die goed is of niet. Natuurlijk kan je hier ook gebruik maken van coupures, als die in de tekst van pas komen: een woord kan juist doordat het geïsoleerd wordt, bijvoorbeeld door een gedachtestreep, aan kracht winnen. Overigens: als ik nu een gewone brief schrijf, hoe kort die ook mag zijn, hecht ik wel degelijk belang aan de stijl ervan. Dat is bijvoorbeeld een van de nadelen van de computercommunicatie: je ziet gewoon hoe snel en slordig teksten nu geschreven worden. Het is een soort eenvoudige praattaal geworden.’

In je brief aan Kleanthes van Assos luidt het daarom: ‘Weet je dat men je nu traagheid verwijt? (…) Traagheid: omdat je slechts weloverwogen woorden spreekt.’ Het lijkt op een zelfportret.

‘Ik tracht alleen maar weloverwogen te spreken. Ik heb niet graag dat ik achteraf moet vaststellen dat ik me iets heb laten ontvallen waar ik spijt moet van hebben. Ik geloof dat ik de reputatie geniet, nou ja geniet, een man van weinig woorden te zijn, met veel respect voor Willem de Zwijger. Als dichter kan je trouwens niets anders dan weloverwogen woorden spreken. Vandaar de geringe omvang van mijn werk.’

Met Aristarchos voer je opnieuw een man van de wetenschap ten tonele. Maar hij had wel een beroemde naamgenoot…

‘Aristarchos van Samothrace was een filoloog, een beroemde commentator van Homeros. Hem kon men niets verwijten, hij gaf alleen zijn commentaar en het is dankzij hem dat we nu nog zoveel weten van Homeros. De Aristarchos van Samos tot wie ik me richt, was een wetenschapper pur sang. Hij betoogde dat de zon het centrum is van het heelal. Daarom heeft men hem ook vervolgd, ‘niet de goden heb je beledigd, / maar de mensen. / Je bleef bij je mening – nee, / niet bij je mening, / bij je wetenschap.’ Ook in de Oudheid was het, zelfs binnen een democratie, aangewezen de mening van de meerderheid te onderschrijven.’

Van iemand als Aristoxenos van Tarente schrijf je dan: ‘Vaak, ja al te vaak, Aristoxenos, / denk ik aan jou – meer / dan strikt genomen goed voor mij is.’

‘Ik ben veel met de Oudheid bezig geweest, mijn betrokkenheid was zo intens dat ik soms het gevoel had dat andere zaken ervoor moesten wijken. Ook emotioneel werd ik sterk geraakt. Ik kan me werkelijk ergeren aan zaken die eeuwen geleden gebeurd zijn. Het verslag van Thoukydides over de ondergang van de Meliërs – mede door verraad – raakt mij nog steeds. Het is moeilijk om daar afstand van te nemen. Aristoxenos bewonder ik omdat hij reeds in de vierde eeuw voor Christus een twaalftonensysteem bedacht. En unverfroren beschuldigde hij Plato van plagiaat – hij zou ideeën van Pythagoras gepikt hebben – en Socrates van sofisme.’

Maar dan schrijf je onmiddellijk daarna: ‘Ach ja, wij laven ons nu eenmaal / aan dezelfde bron.’

‘Bronnen had er moeten staan, in het meervoud: de voorsocratische natuurfilosofie, het pythagorisme dat door Aristoxenos verdedigd werd en natuurlijk ook de hengstebron op de Helikon.’

De kerkvader en asceet Basileios ho Megas leefde in de 4de eeuw na Christus. Aan hem richt je de vraag: ‘Staat er niet geschreven / dat wie niet bemint alreeds vertoeft / in het domein van de dood?’ Een pleidooi voor het beleven van de aardse liefde? En met een duidelijke voorkeur voor het archaïsme in ‘alreeds’?

‘Als het mij zo uitkomt, schuw ik het neologisme niet. Maar als ik een archaïsch woord functioneel kan gebruiken zal ik het niet laten. Ik tracht ook mooie oude woorden te behouden. Zou het kunnen dat ik daarin op de goede Marius Cornelius Fronto lijk? En ik pleit in het gedicht voor een vorm van epicurisme, dat me nader ligt dan het ascetisme. En zeker mag je, als je dan wel kiest voor een ascetische levenshouding, anderen niet dwingen je daarin te volgen, zoals Basileios deed. Als ik over hem schrijf: ‘Je weerhield / je discipelen van het vuur’, dan is dat met een dubbele allusie: hij wilde zijn discipelen afhouden van het vuur, de passie van de liefde, maar evengoed van het hellevuur.’

Het beeld van het vuur schraagt zowat de hele bundel.

‘Ja, een van de vier oerelementen, het vuur dat vernietigt en schept. In een bepaalde context is het natuurlijk ook het vuur van de zon. Voor Kleanthes is het vuur goddelijk, hij vereenzelvigt het met de Logos als creatieve kracht. En natuurlijk staat het vuur ook voor het innerlijke vuur, dat samenvalt met de ziel. In zijn bewaard gebleven Hymne aan Zeus, een heel mooi gedicht, ziet Kleanthes de zon als het hart van de kosmos. Daarom verbaast het mij dat hij polemiseerde met Aristarchos, de heliocentrist. Een andere antieke visie ziet alles draaien rond een centraal vuur: aarde, tegenaarde, maan, zon en sterren… Een schitterend denkbeeld toch?’

Een van de sleutelfiguren in de bundel lijkt me Demokritos van Abdera met zijn atomenleer. Zijn inzicht verschafte hem een vreugde die dieper ging dan een standbeeld in marmer hem ooit kon bieden of zelfs politieke macht.

‘Het ware leven is het leven van de geest. De echte vreugde ligt in het inzicht krijgen. Ook zijn filosofie (‘Maar naar waarheid, wij weten het, / bestaan er enkel atomen en is er Niets / zonder oorzaak’) spreekt me heel erg aan: ik heb behoefte aan orde en ik denk ook dat er een fundamentele orde is. De spanning tussen orde en chaos, tussen orde en vrijheid kwam al aan bod in vroegere gedichten en eveneens in een nieuwe bundel die op stapel staat.’

Het motief van de orde, in de zin van maat, rede en evenwicht, komt ook nadrukkelijk aan bod in de brief aan Lucilius Balbus. Je prijst hem, maar anderzijds kan je maar moeilijk begrijpen dat hij in voorspellingen geloofde.

‘Ik geloof niet in een eenzijdige visie op de mens. Daarom zal ik ook nooit mensen snel veroordelen; omdat ze meestal twee kanten hebben. Balbus is in De Goden van Cicero de pleitbezorger van de nuchtere en onthechte stoïcijnen, maar hij betoogt dat de goden ons leven richten en gelooft in voorzienigheid en voorspellingen. Wat mij in de Oudheid heel sterk verbaasd heeft is dat mensen met soms geniale inzichten, zich toch aan wichelarij begeven en er zelfs hun daden, bijv. of ze al dan niet naar het slagveld moeten trekken, laten door bepalen. Typerend is ook de mythe van Palamedes, de raadgever van de Grieken tijdens de Trojaanse oorlog, aan wie ik ook een brief richt, die als man van maten en gewichten een essay tegen het toeval schreef - maar hij lanceerde ook het dobbelspel. Nu boeide Palamedes me ook om het lot dat hem beschoren werd omdat hij eerlijk was: hij ontmaskerde het bedrog van Odysseus, de notoirste schurk van heel de literaire geschiedenis, maar hij heeft ervoor moeten boeten. Vandaar: ‘Alle grote mannen sterven door verraad’.’

Dat is een absolute uitspraak, net zoals die in het gedicht voor Satournilos: ‘niemand is betrouwbaar / die de Waarheid claimt.’

‘Ik schuw inderdaad zo’n uitspraken niet, omdat het ook dingen zijn die ik meen. Mensen die menen de Waarheid te moeten claimen - dat is totalitarisme. Daar zet ik me tegen af. Net zoals ik me afzet tegen alle vormen van intolerantie, zoals die al voorkwamen in de Oudheid en in de eerste eeuwen van het christendom, maar nu evengoed nog. En verder: verraad vind ik van alle ondeugden de grootste.’

Net als over Bruttidius weten we heel weinig over iemand als Demonax. Over hem zijn alleen een aantal uitspraken bewaard die Loukianos opschreef.

‘Uit de anekdoten die dank zij Loukianos’ beknopte biografie bewaard zijn gebleven, blijkt dat de man een cynicus was, die niet veel nodig had om te leven en die men dus ook niet veel kon afnemen. Vandaar dat hij zich heel wat kon permitteren. Van dat soort mensen heeft men, ook nu nog, schrik, vandaar dat ‘de Heren zwegen / als je tevoorschijn kwam’.’

De geschiedschrijver Gaius Sallustius Crispus behoort dan weer tot de canon van de Latijnse literatuur. Toch hang je geen eenzijdig lovend beeld van hem op.

‘Hij is een dubieus figuur. Hij is rijk geworden, waarschijnlijk op de rug van de mensen in Afrika die hij heeft uitgebuit. Hij is later in ongenade gevallen bij de keizer, maar hij is toch rijk gebleven en heeft op een van de Romeinse heuvels een enorme villa gebouwd, omringd door de beroemde tuinen. En dan stelde hij zich op als historicus en moralist. Hij zag, ook letterlijk, neer ‘op de wandaden van de patriciërs, op de parade van de cohorten’. Hij kon geen politieke rol meer spelen, maar om niet alles kwijt te raken, moest hij in zijn geschiedkundige werken de keizer blijven prijzen. Hij was dus effectief ook een ‘horige’ van het systeem.’

Marcus Pacuvius is ook al zo’n dubbele figuur, hij verenigt in zich Zethus en Amfion. Je spreekt hem wel aan als ‘confrater’.

‘Hij verenigde in zich de tegenstelling die zich openbaarde in de zonen van Zeus en de nimf Antiope: Zethus de ruwe jager en Amfion, de lierzanger. Hij was ook een dubbeltalent. Als schilder beoefende Pacuvius ‘de zwijgende kunst’, maar hij was ook dichter. In die zin voel ik me, als beeldend kunstenaar en als dichter, confrater van hem. Overigens had de zeer geleerde Pacuvius de neiging om ‘met woorden te schilderen’en te experimenteren met ingewikkelde syntactische constructies.’

In het slotgedicht vertel je dat Xenofanes eigenhandig zijn zoon moest begraven, ‘zoals ook Anaxagoras dat moest doen, en ik’ Hier geef je toch een heel intiem gegeven prijs.

‘Ik zie het als een hommage aan mijn overleden zoon Sander. Ook hij leeft op die manier.’


Aan Jovinianus

Als we Hieronymus mogen geloven,
waarde Jovinianus, de steile asceet
die in de waarheid wandelt en in fraai Latijn
Adversus Iovinianum heeft geschreven,
liep je als een bruidegom door Rome, heup-
wiegend, op vlugge, gevederde voet; liep je
gaaf en glad en glanzend, als herboren door Milaan,
je atletische lijf in een geestelijk gewaad,
wit en smetteloos, smetteloos wit.
Je stem vleit de vrouwen, Jovinianus,
en in jouw ogen is maagdom geen deugd.
Ach, het kon niet uitblijven: de synodes
zijn streng – Honorius heeft je verbannen.
Je geschriften zijn verboden en verbrand.
Je bent een ketter, Jovinianus. Gelukkig maar:
kwade dingen sterven niet.


Aan Kleanthes van Assos

Laat dit duidelijk zijn Kleanthes:
ik bewonder de man die het gewicht
van Zeno wist te dragen, die het gewicht
van water kent en de aarde wist
te laven vóór het wentelen van de nacht.
Weet je dat men je nu traagheid verwijt? Traag-
heid! Jij, die in je jonge jaren vuist-
vechter was, en je zwijgend bewoog,
op lichte voet. Traagheid: omdat je slechts
weloverwogen woorden spreekt.
Je geschrift over de schoonheid heb ik niet
kunnen vinden, Kleanthes, en vruchteloos
heb ik je boeken over de kunst der liefde
gezocht, over drift en plicht en roem, over
de glorierijke goden en over de roemloze Gorgippos.
Maar je hymne aan Zeus heb ik gelezen. O grote
Zeus! O wolkdonkere! O bliksemflitsende!
Kleanthes! Niemand kan twee goden dienen.
Je kan Zeus niet dienen en de zon.
Ook voor jou toch is de zon het hart
van de hemel en dragen de woorden het vuur?
Hoe kon je dan tegen Aristarchos schrijven?
Ach, ik weet het, Kleanthes, ik weet het.
Het is een retorische vraag – maar ik wil
wel eens weten hoe je er nù over denkt,
nu je ginds verblijft, ten westen van de zon.


Aan Lucilius Balbus

Ook jij, Balbus, prijst de schoonheid,
de maat die in de mensen ligt
en de orde die de goden hebben gewild:
maat, rede en evenwicht.
En het is waar dat zij, die niet
in de goden geloven, weinig fraais
hebben voortgebracht. Hun smaak
is te gekruid, hun hemel het verhemelte.
Chaos hebben zij verkozen:
drift, woede en razernij –
dat is hun deel geweest.
Toch begrijp ik je niet, Balbus.
Wat ben jij voor een stoïcijn?

Je bewondert de gaafheid van de cirkel,
de efficiëntie van een bol. Hoe,
bij Jupiter, kan je naar ingewanden
staren, de toekomst in een dooie lever
zien, de waarheid zoeken bij kale
kippen en de voorzienigheid in het vuur?
Laat dat aan Cotta over – lees Bion!
Toeval en toekomst, dat moest jou
onverschillig laten. Wichelend
verliezen je woorden hun gewicht.
Wichelen en wegen - dat past niet
bij een man, niet bij een stoïcijn,
niet bij Lucilius Balbus.


Aan Marcus Pacuvius van Brundisium

Het verhaal gaat, waarde confrater, dat jij
Zethus en Amfion in je verenigt;
dat je langzaam en zeer zorgvuldig werkt,
ook als je de zwijgende kunst beoefent
en het lak laat glanzen op de kleurige
wanden van het paleis; als je de zee
schildert zoals je haar hebt geschilderd
in je tragedie: ‘…huiver bevangt de zee,
de duisternis groeit en zwart verdwijnt de dag
in nacht en nevel; overvloedig stort
de regen uit de bevende hemel om-
laag, vuur breekt door de wolken, donder dreunt,
wild wervelt de losgeslagen stormwind
en razend kolkt de zee…’ Ja, inderdaad:
je souverein is de hartroerende, al-
machtige Rede en spreken je vergulde
vorstin. Je woorden wegen, Pacuvius.


Century vox

De binnenwereld ligt er verlaten bij;
ver weg is de zon van vroeger
die in haar gouden jaren de aarde
besprong als een bevlogen paard.

Brokstukken van de hel liggen
verweerd aan onze voeten: de woorden
die wij misprezen, de cijfers
die wij hebben misbruikt. Ons alfabet

ontbreekt een teken. Haveloos
liggen de letters verstrooid op de wind.
De wolken komen nader, maar
de laatste band met de hemel is weg.

p>Het hoogste zien is ons niet gegeven
maar nog tekent Debutades
een krijtlijn van liefde; een scha-
duw van vrede valt op een weerbarstig blad.

Jooris van Hulle

Draagvlak en vizier

Dichter, essayist en beeldend kunstenaar Renaat Ramon brengt met 'Draagvlak en vizier' een weloverwogen selectie van eerder in diverse tijdschriften verschenen of in opdracht geschreven verzen bijeen. In de veelheid van uitverkoren verzen openbaart zich ook een eenheid: in hun onderlinge samenhang tekenen de gedichten het draagvlak waarop Ramon zijn leven – een leven dat gestuurd werd en wordt door het woord in zijn meest verscheidene en daardoor vaak verrassend overkomende facetten – én zijn denkend werken (en even nadrukkelijk: zijn werkend denken) blijvend heeft gefundeerd. Het woord zoals hij het heeft mogen proeven in het werk van anderen en
zoals hij het zelf weet te omarmen in zijn eigen poëzie. Niet toevallig opent de bundel met een gedicht dat direct teruggrijpt naar het 'Boek der vragen' van Pablo Neruda, meer precies naar diens overpeinzing: 'Is een woordenboek een graftombe of een gesloten honingraat?' Ramons repliek, in de vorm van een antwoord op deze vraag, is helder en veelzeggend: ‘Woorden wijken wel, maar ze sterven niet. / Zijn woorden niet de zichtbare ziel der dingen, / van het beeld de zichtbare stem?' Even aanstippen hier: het slotvers van deze strofe verwijst overigens naar de in 2009 verschenen bundel 'Zichtbare stem', waarin Ramon de grenzen van de toonbaarheid, de visualiseerbaarheid van de stem verkende. Her is een idee die verder terugkeert in het gedicht dat opgedragen is aan Ludo Frateur: 'je schrikt van het beeld / in de bladspiegel, maar / als je goed luistert / zie je een gedicht.'
Het woord centraal, centraal het woord: het is de pit waarrond de dichter Ramon zijn verzen weet te modelleren. In de bundel 'Draagvlak en vizier' komen vooreerst, gespreid over twee afdelingen, resp. 'Dierbare vrienden' en 'Memorandum', dichters en denkers in het vizier die 'prente hebben geslagen' in zijn ziel. Opvallend is dat Ramon hen in hun eigenheid, hun specifieke manier van schrijvend en denkend in de wereld staan, weet te portretteren. Zo is het gedicht 'Aan Claudius Asnedius Montanus' gericht tot Claude van de Berge, die 'de glans van ijs verkiest boven glorie van goud' en met wie Ramon zich verbonden weet: 'Wit leeft in je woorden, Asnedius, / en wij weten het: aan de zelfkant / van de hemel bloeien de sterren.' Ook al iemand die aan de zelfkant van het poëtische landschap staat, is Mark Insingel. Voor hem schrijft Ramon het gedicht 'Woordwisselwoord': precies omdat Insingel met geringe verschuivingen in de neergezette woorden een wereld-achter-de-dingen oproept, vindt Rmaon in hem een deelgenoot op de weg van het woord: 'Je buigt woorden / plooit termen / de cirkel sluit / als een ellips'. Verzen die een echo bevatten van Ramons eigen beeldend werk. Ramons draagvlak omvat meer dan alleen dichters: in de persoon van abt Anselm Hoste treft hem de bedachtzaamheid, de nederigheid ('zelf heb ik de laatste trap / der nederigheid nog niet bereikt, / nog drukken mij doornen / van ergernis en nog al te vaak / heb ik zilver op mijn tong'), in ingenieur Herwig V. zoekt en hij vindt hij de kompaan op de weg van de cijfers: 'want zo is het goed: / met cijfers te beginnen en / met cijfers ook te besluiten'. De drang naar beheersing door getal en afmeting is de leidraad in Ramons beeldend constructivistisch werk. De cycli rond vrienden – in leven of reeds gestorven – wordt afgerond met een lang gedicht over Giordano Bruno, de zestiende-eeuwse filosoof die vooral bekend werd om zijn geschriften over en rond de werking van het geheugen en omwille van vermeende ketterij veroordeeld werd tot de brandstapel. Zijn onlesbare drang naar de vrijheid van de geest kan gelden als een retrospectief opgebouwd zelfportret van Ramon. Cyclus drie in 'Draagvlak en vizier' bevat 'vendute', krachtig gepenseelde gedichten rond specifieke plaatsen -de molens van Brugge, de door toeristen overspoelde Burg van Brugge waar zich de Heilige Bloedkapel bevindt-, of breder uitdijende landschappen als 'Plat Pays' (een schitterend gedicht, dat opent met deze strofe: 'het land ligt stoppelbloot - / een veld waarin niets meer / valt te rapen, waarin niets nog / bewogen wordt, niet door / de aarde, niet door de wind'). Een strofe die echoot in 'Opname', het slotgedicht van deze cyclus: 'Het landschap wordt gedicht / in een blinddruk van geluiden.' Ter afronding van zijn bundel neemt Ramon de lezer mee naar het 'Grand Café Parnas', het dichterscafé waar hij vier kompanen hun opwachting laat maken, vooraleer zelf te besluiten: 'Daar zat ik dus ook’, om monkelend hierbij vast te stellen: 'Ik dacht / aan de Aanwezigheid / van de Aanwezigen, / bij uitbreiding aan het Zijn / van de Zijnden en vandaar / aan het Zijn van het Zijnde.' Een metafysica binnen de kroeg, vandaar de ironische conclusie: 'Ik dronk nog een Jägermeister / en besloot groot- en blijmoedig / tot een uitstapje / naar het Zwarte Woud.' Ook de alledaagse realiteit komt haar rechten opeisen.
'Draagvlak en vizier' is een feest van woorden. Met overtuiging bespeelt Renaat Ramon diverse taalregisters: woorden als 'banaten', 'plengfeesten', 'batse demonen' staan er zonder dat ze zich opdringen naast op de spreektaal geënte verzen, de meest verscheiden cultuurlagen schuiven over elkaar heen met reminiscenties aan de Grieks-Romeinse Oudheid en de christelijke beschaving met haar rituelen. Ramons draagvlak is breed, heel breed.

Jooris van Hulle

Gent, Poëziecentrum, 2016, 52 p., isbn 978 90 5655 436 1

Reflecties op zijn beide disciplines

A RAMON, poète et sculpteur

Poètes, distillateurs clandestins
Souffleurs de verre
Le gorge brülée
Par cet alcool de contrebande
Qui les font vivre
Par ces mots incandescents
Dont la forme naît de leur souffle
A l’heure où les coqs s’enivrent
Sur leurs ergots de fer
Ils sont au premier rang des parieurs
Sculpteurs, passeurs clandestins
Dont les chemins s’écartent
Pour se rejoindre à l’autre rive
Avez-vous peur de suivre ?
Avez-vous peur des chiens de garde ?
Avez-vous peur de l'invisible ?


Etienne de Sadeleer

Uit: Kunsttijdschrift Vlaanderenjg. 57, nr. 322, p.258-260

RENAAT RAMON: Veelzijdigheid door vele bronnen gevoed

Reeds door zijn debuutwerken - te zien op tentoonstellingen te Haarlem en Brugge in 1961 - werd duidelijk, dat Renaat Ramon (Brugge, 1936) diverse wegen wilde bewandelen. Hij had tijdens de laatste drie jaren sculpturen vervaardigd in steen, keramiek en koper, reliëfs gemaakt, schilderijen op doek en op paneel, werken op papier met olie en gouache. Maar al die uitingen van zijn creativiteit konden nog onder één noemer worden gebracht: de productie van een beeldend kunstenaar. Wie vandaag, bijna vijftig jaar later, een enigszins volledig beeld van zijn bedrijvigheid wil geven, moet handelen over de beeldhouwer, de schilder, de graficus, de ontwerper, de essayist en de dichter. Hij is niet, als in een aantal teksten wordt geschreven, een dubbeltalent, maar een veelzijdige, een uomo universale, in wie het humanistische renaissance-ideaal tot het begrijpen van de samenhangen en het geheel levend is gebleven. Want hoe uiteenlopend het werk is geconcretiseerd door middel van vele materialen en technieken, door nu eens beeldende vormen dan weer door taal, het vertoont diepe innerlijke verbanden, spirituele samenhang en een fundamentele, op kennis, inzicht en een sterk ontwikkeld gevoel voor relatie en verhouding gesteunde visie.


De beeldhouwer

De analyse van de beelden verschaft al hechte bases voor de ontdekking van de vele drijfveren die het scheppingsproces op gang brengen, voeden en variëren. De wiskunde, de meetkunde en de stereometrie bieden vaste uitgangspunten en leiden tot de voltooide vorm, de volkomen perfecte maten. De opvattingen en stimulansen worden bij Renaat Ramon niet gevoed door de natuur of de waarneming van de natuurfenomenen. De natuur is onderhevig aan verandering. Zij staat nooit stil, beweegt, vloeit en stroomt steeds verder. Zij is onderworpen aan processen van wording, progressie, voortschrijding, ontwikkeling, ontplooiing, afwikkeling, groei en verval. In de natuur is de tijd steeds nadrukkelijk aanwezig en hij tikt mee in elk moment van elk proces. Ramon maakt sculpturen, die, met behulp van de uitgepuurde, minimale en essentiële vorm, de tijdelijkheid willen overstijgen.
Geen sentimenten legt hij vast, geen emoties roept hij op, geen lyriek streeft hij na, maar hij vraagt de inzet van de sensibiliteit van de kijker voor concrete, exacte, autonome schoonheid, subtiele afweging van volumes en massa's, klare omschrijving van ruimte, zuiverheid van relaties en verhoudingen.
Daar de beelden van Ramon bezit nemen van de ruimte, de ruimte zowel tonen als animeren, de kijker van de ruimte bewust maken, zijn ze uitermate geschikt om op een openbare plaats te worden opgesteld en die site een meerwaarde te verlenen.
De uitvoering op monumentale schaal van het eerst op de tekentafel en vervolgens in maquettevorm ontstane beeld is een lang en vaak moeizaam proces, waarbij heel wat technische kennis is vereist en soms ook enkele praktische problemen rijzen. Renaat Ramon heeft de kans gekregen - en steeds de zo noodzakelijke volharding kunnen opbrengen - om een aantal grootschalige projecten te realiseren. We treffen ze op de volgende plaatsen aan: “Cycloop”, Cultureel Centrum De Dijk, Sint-Pieters-Brugge (1983); “Trap van staal en wolken”, uitgevoerd in opdracht van de Provincie West-Vlaanderen voor het Provinciaal Centrum 't Venster te Emelgem/Izegem (1997), (afb.1); “Octogon”, rotonde Koning Albert-laan, Sint-Michiels-Brugge (1998); “Komeet”, in opdracht van Immo Walleyn, Loftstraat-Komvest, Brugge (1998); “Mucronis” (1984) en “Colombarium”, Crematorium Westlede, Lochristie (1999); “Hommage aan Alfred Ost”, Van Ostplein, Zwijndrecht (2000); “Equinox”, Park, Koekelare (2000); “Cirkelkwadratuur”, Museum van Volkskunde, Brugge (2002); “Monument voor Baron Auguste de Maere d'Aertrycke”, Baron de Maerelaan, Zeebrugge (2004). Met een aantal meetkundige basiselementen creëerde hij sinds 1985 ook een reeks zuiver constructivistische installaties (afb. 2).
Steeds ontwerpt Ramon aan de tekentafel, zoekt en vindt hij op het tekenblad. Een beeld van hem, hetzij van kleiner formaat, hetzij van monumentale dimensies, is eigenlijk gerealiseerd vooraleer het is vervaardigd. We bedoelen: het bestaat al in zijn conceptuele, structurele, compositorische en ideëel-formele volledigheid, voor het door middel van materie wordt omgezet tot zicht- en tastbaar, ruimte innemend, in drie dimensies zich ontwikkelend object.
Tijdens een drievoudig proces komt het kunstwerk tot stand. Eerst groeit de conceptie in de geest die beeldt en bouwt, die ziet met het innerlijke oog in volume en verhouding, die vormt en meet volgens gevoelige wetten van relatie en harmonie. Daarop ontstaat het ontwerp als tekening op papier die in een visueel beeld het immateriële concept toetst, het schematisch-klaar onder de ogen brengt, de idee veraanschouwelijkt, de vormgeving aan de proef van een eerste concrete vastheid onderwerpt en, zo nodig, haar bijstuurt of verfijnt. De derde fase omvat de met technische en mechanische hulp door medewerkers gerealiseerde vervaardiging in hout, steen, plexiglas, ijzer, brons, staal - materialen die een perfecte afwerking vereisen en waaraan, indien gewenst, een bovenop aangebrachte kleurhuid de final touch verleent.
Zowel die ontstaanswijze als de aard van Ramons beelden sluit aan bij de houding van de actuele mens die niet langer in direct contact met de natuur leeft. Natuur en buitenwereld komen op de hedendaagse mens toe via allerlei filters en media. Ons wereldbeeld is in hoge mate bepaald door een technisch-wetenschappelijk denken.

Kleur en permutaties met kleur

De verhouding vorm-kleur heeft van Renaat Ramon steeds veel aandacht gekregen. In zijn stenen sculpturen heeft hij de natuurlijke kleuren van het materiaal behouden: het wit of het okerachtige wit van de Franse steen, het grijsblauw of het zwart van het geslepen of gepolijste arduin. Zwart is de stalen “Hommage à Paracelsus”, blauw de “Kijkkops”, koningsrood het “Oogseizoen”, staalblauw “De avonturen van een cubus in de ruimte”, bronzig bruin het kunstmatige, beschermende roest van de “Inserts”, wit, grijs en zwart zijn de reliëfs, geel enkele van de hierboven genoemde monumentale werken.
Het gebruik van termen als schilder en schilderwerk voor Ramons creaties met verschillende kleuren kan de lezer slechts op het verkeerde spoor zetten. Bij een kunstenaar die grondig over de verhouding vorm-kleur reflecteert, past de gedachte niet aan de spontane, door intuïtie geleide schilder die zich vol overgave stort op de mogelijkheden van de verf, de penseelvoering, het uitbundige palet van de colorist of het eindeloze spel van de kleurnuances. Ramon onderzoekt de kleur, haar werking, de betrekkingen die ontstaan wanneer kleuren naast elkaar worden geplaatst, wanneer de oppervlakten die ze bedekken van plaats of van afmeting veranderen. Zijn reliëfs en vlakke composities zijn studies, systematisch geordende vormen van onderzoek. Zo heeft hij in de zes delen tellende reeks “Keerkring” de wisselwerking van de kleuren geel, groen, paars en grijs nagegaan door middel van permutaties op een vast patroon van veldverdeling.
Duidelijk hierbij werd ook dat kleur niet enkel een fysische verschijning en een visuele waarde bezit, zij heeft een psychologische impact en is verbonden doorheen de cultuurgeschiedenis met tal van symbolische betekenissen. Ook bleek dat er een innig verband bestaat tussen de kleur en het materiaal waarop zij is aangebracht. Een soort natuurlijke verbondenheid kan tussen beide worden ontdekt, een overeenstemming in wat we, uit onmacht om het fenomeen met taal precies te vatten, hun klank zouden kunnen noemen.

De ontwerper

Op de tekentafel van Renaat Ramon ontstaan niet alleen de ontwerpen voor de beelden en de reliëfs maar ook die voor meubels en juwelen. Sobere, strenge, tot hun functie en essentie herleide tafels en stoelen zetten de traditie van het modernisme voort, van de principes, die door de meesters van Das Bauhaus en de kunstenaars van en omheen de Nederlandse De Stijl-beweging werden geformuleerd en toegepast. Ook de juwelen tonen de consequente toepassing van de beginselen van de modernistische design en sluiten aldus onmiskenbaar aan bij de creaties van groter formaat.
Heel wat architecten en ontwerpers met faam hebben ongewoon boeiende creaties op papier of in maquettevorm gerealiseerd. Om praktische, financiële of andere redenen kwam het niet tot een uitvoering. In het geheel van hun oeuvre blijven die concepten, voorstellen en ideeën van wezenlijk belang en werden zij vaak uitgangspunten en inspiratiebronnen voor een bevlogene uit de volgende generatie.
Drie projecten van Ramon dienen beslist in het overzicht van zijn levenswerk te worden opgenomen: het “Ontwerp voor het Museumplein in Amsterdam” (1988), het project voor het Belgisch Paviljoen van de Expo in Sevilla (1990), in samenwerking met de architecten C. Mulder en J. Zerck ontworpen, de auto voor het jaar 2005 “Aristarchos” (1993-1994).

De graficus

Het grafische werk van Renaat Ramon is in de loop van de jaren een omvangrijk luik in het oeuvre geworden. Serigrafieën, blinddrukken en digitaal uitgewerkte tekenbladen komen voor naast boekomslagen en erg originele nieuwjaarswenskaarten.
Zijn visuele poëzie is het merkwaardige resultaat van het dubbeltalent graficus-dichter. In de bundels Ongehoorde gedichten (1997) en Color-field poetry (1999) heeft de literaire begaafdheid een volkomen fusie aangegaan met de beeldende scheppingskracht. Het dubbeltalent is vervloeid in creatieve vindingrijkheid tot een zuivere eenheid. Dit maakt de bundels tot belangrijke publicaties op het gebied van de beeldende dichtkunst - of de poëtische grafiek? - in de Nederlanden.
De thematiek is niet onder één noemer te vangen. De “teksten” staan in relatie tot de wiskunde, de poëzie, de opvattingen over beeldende kunst, de pythagorische ideeën en stellingen en ook met enkele artistieke en literaire verschijnselen die niet zo direct Ramons geestdrift opwekken: de overproductie van het gedrukte woord en het chaotisme als strekking in de actuele beeldende kunst. Terwijl de wiskunde en de meetkunde aan de graficus de bases verlenen voor zijn constructivistisch, op de maat en de evenredigheid gebouwd werk, vindt de dichter inspiratie in de getallen, symbolen, tekens en formules van de mathematica maar evenzeer in de magie van een enkel woord. Ook de letters blijken in hun structuur onvermoede beeldende mogelijkheden te bezitten. Wanneer ze, zoals bij Ramon, op gelijkwaardige grondslag met het wis- en tekenkundig materiaal hun visuele eigenschappen etaleren, beschikt de dichter-graficus over een verrassend rijk en origineel arsenaal.
De twee bundels brengen bladzij na bladzij boeiende visuele informatie, intelligent gebruik van tekens en symbolen, merkwaardige betrekkingen wiskunde-poëzie, meetkunde-poëtica, spirituele denkoefeningen, grafische, tekenkundige en typografische verrassingen en een ongewoon zuivere, tot het einde volgehouden gave beelding. (afb.3 en 4)

De essayist

Als jongeling had Ramon al grote belangstelling voor de literatuur en was hij een verwoed lezer. Tijdschriften ook boeiden hem. Dat bleek toen hij medeoprichter en redacteur werd van Betoel, een “marginaal tijdschrift voor literatuur” (1971-1973) en van Radar, een “tijdschrift voor literatuur, kunst en kritiek” (1975-1982). Hij was ook redacteur van het “letterkundig” tijdschrift Diogenes (1984-1992).
In de genoemde tijdschriften en ook nog in De Tafelronde, Kruispunt, Gierik, Vlaanderen en vooral Poeziekrant ontplooide hij zijn schrijftalent voor de recensie en de studie. Eruditie, belezenheid en grondige kennis van de Nederlandstalige en de Franse literatuur gaan erin samen met ernstige en overwogen analyse van de teksten en situering van de context waarin de literaire creatie is ontstaan. De grotere studie en het essay kregen vorm in de publicatie van de VWS-Cahiers over Remy de Muynck/ Saint-Rémy, Fernand Bonneure, Lodewijk van Haecke, Jaak Fontier, Louis E. De Mey, Thomas Van Loo, Fernand Lambrecht, Jan Baptist Jozef Hofman, Johan Sonneville, Hendrik Carette, Bert Popelier, Auguste de Maere d'Aertrycke, Jooris Van Hulle en in de monografie Jan van der Hoeven: de grote reizen der woorden, VWS, 1993). Voor de prestigieuze reeks “Dichters van Nu”, uitgegeven door het Poëziecentrum Gent, verzorgde hij een bloemlezing uit de poëzie van Jan van der Hoeven (2000).
Een opmerkelijke prestatie werd de samenstelling van Geschreven tijd (VWS, 2005). Ramon heeft in die studie het leven vastgelegd van de literaire en semi-literaire tijdschriften in West-Vlaanderen die gedurende twee eeuwen (1805-2005) verschenen zijn. Het 259 bladzijden tellende boek biedt een summum aan informatie over een van de belangrijkste aspecten van de literaire bedrijvigheid in onze provincie en veronderstelt een intensief en geduldig speurwerk. Niet minder dan 68 tijdschriften is de auteur op het spoor gekomen. De verwerking van een overvloed aan documentatie leidde dankzij een sterk ontwikkelde zin voor synthese tot een leesbaar en overzichtelijk boek.
De opgegeven titels in dit hoofdstukje over de essayist wijzen erop dat Ramon niet enkel de eigentijdse literatuur volgt en kent maar ook voor de literaire geschiedenis een meer dan gewone belangstelling bezit.

De dichter

Benevens visuele poëzie schreef Renaat Ramon woordpoëzie. Hij nam echter de tijd vooraleer met een eerste bundel naar buiten te treden. Dat debuut uit 1976, Oogseizoen getiteld, samen met Ansichten (1980), beide verschenen in de Poëziereeks Contramine, Flandria Fabulata (1983) en Noodweer (1987) geven een duidelijk beeld van een dichter, die op het eerste gezicht afstandelijk blijft, lyriek en emotie wantrouwt, de ironie niet schuwt, zich bewust is van het relatieve van al wat des mensen is, maar dan plots, met een verrassende wending of omslag, zijn betrokkenheid toont, een diepe relatie onthult met de medemensen, de maatschappij, de gebeurtenissen in de wereld. Geleidelijk ontdekt de lezer een filosofische instelling, een positie in de wereld en een houding in de tijd die deze zogenaamd anti-romantische en onderkoelde parlando-poëzie telkens voedt en omkeert, scherpte en snede geeft.
De in 2004 verschenen bundel Rebuten toont hoe de continuïteit van een visie de drang naar vernieuwing en verruiming geenszins uitsluit. Met 35 briefgedichten richt de auteur zich tot bekende en minder bekende figuren uit de Oudheid en de eerste eeuwen van onze tijdrekening. Terwijl hij een aantal ideeën, daden of standpunten van de historische en legendarische figuren - dichters, politici, historici, exegeten en apologeten - reveleert, gispt en vermaant, looft, verwerpt of prijst de briefschrijver hun opvattingen, uitspraken en daden. Heden en verleden worden aldus op elkaar betrokken, het vroegere denken en doen met actuele kritische zin geëvalueerd. Deze in de directe jij-vorm gestelde gedichten, rijk aan allusies, persiflages, citaten en referenties, zijn ritmisch gesneden in verzen van ongeveer dezelfde lengte (al is er ook monostichon bij) en lezen bijzonder vlot. Een korte biografische notitie over elk van de 35 figuren zou kunnen bijdragen tot een nog ruimer begrip van de lezer.
Ramons meest recente bundel Geheim Besogne (2006) vertoont een strenge structuur: 2, 8 x 4 gedichten en opnieuw 2. De titel geeft een ironisch knipoogje naar het verleden. “Geheim Besogne” onthult van Dale, is de “commissie uit de gewesten der Republiek voor buitenlandse zaken”. Ramon zal ongetwijfeld ook hebben willen refereren naar de al met al steeds wat mysterieuze bedoening van het poëzie schrijven: rede die zich verbindt met vele vormen van magie, met de opvluchten van de verbeelding en de dansen van de dromen. De 36 gedichten onthullen in vers na vers een origineel dichterschap met vele facetten en gevoed door talrijke bronnen van wetenschap, kennis, beschouwing, taalvermogen en fantasie.

Jaak Fontier, kunstcriticus AICA

Uit: Kunsttijdschrift Vlaanderen, jg. 51, nr. 2, maart-april 2002

Woord en beeld vormen de sokkel waarop Renaat Ramon (°1936) een veelzeggend en boeiend oeuvre heeft opgetrokken. Als dichter-essayist en als beeldhouwer blijft hij geduldig, langs wegen van geleidelijkheid, de grenzen verkennen van een creatief universum waarin voor hem slechts één regel van toepassing is: die van de originaliteit. Ramon als dwarsligger: in een tijd die zweert bij anekdotiek, bij het vluchtige hic et nunc, graaft hij als een archeoloog naar de verborgen lagen waar woord en materie voor zichzelf spreken.
De poëzie van Ramon ontwikkelt zich via een dubbelspoor. In de lijn van zijn plastisch werk worden woorden herleid tot tekens. Een ‘ongehoorde’ tekentaal (in 1997 verscheen zijn bundel Ongehoorde gedichten), waarin getal en woord, geometrie en verbeelde klankstroom tot een bijna perfecte harmonie vervloeien. Daarnaast zoekt Ramon, bevrijd als hij zich wil weten van de dwingende wetmatigheden van het bestaan, nadrukkelijk aansluiting bij de Klassieke Oudheid. In het aan hem gewijde gedicht uit de bundel in voorbereiding Rebuten prijst Lucilius Balbus ‘maat, rede en evenwicht’.
De drie-eenheid van maat, rede en evenwicht vormt ook het fundament van Ramons beeldend werk. In hun ruimtelijkheid, geconcipieerd vanuit de dialoog tussen geometrische vormen (bol, vierkant, cilinder, kubus, ovaal en balk), vertellen de beelden geen verhaal, maar worden ze verhaal: dit van een onstoffelijke wereld die er is en er altijd zal zijn.
Het gedicht ‘leeftocht’ (1992) is Ramons artistiek credo, maar evengoed zijn menselijk credo: ‘Behalve / deze woorden / en enkele cijfers / heb ik geen middelen / van bestaan. / En ook geen reden.’


Jooris van Hulle

Een recent kwatrijn van Hendrik Carette voor zijn kompaan:

Renatus Ramonticus
Amelric van Tartarije (666 n. Chr.)

Zelfs voor mij zwicht hij zich niet
en blijft hij geheimzinnig zwijgen.
Toch bewaar ik de woorden uit zijn mond
in een zilveren kist onder de bevroren grond.

vert. uit het Oost-Siberisch door Hendrik Carette

Uit: PrincEzine – 22 juni 2017

Het gedicht van deze maand is er een van Princelid Renaat Ramon, afdeling Houtland. Het werd gekozen en wordt hieronder besproken door Jooris van Hulle, eveneens lid van afdeling Houtland. Die bespreking gaat over de relatie tussen het gekozen gedicht en de auteur ervan. Renaat Ramon is niet alleen dichter, hij is ook beeldhouwer. Dat krijgt aandacht. Bovendien plaatst Jooris dit gedicht in relatie tot andere gedichten van Ramon. Voor een leek in het lezen van poëzie is dit een leerrijke en verrassende kennismaking.

Over 'Opera' van dichter Renaat Ramon

De Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink (1935-2015) noteert in zijn essayboek 'Herontdekking van een continent' over het belang van kunst en schoonheid in de samenleving: 'Het erkennen van onze behoefte aan kunst betekent niet het onderschatten van het belang van de eerste levensbehoeften voor mensen, van vrijheid, van de mogelijkheid hun lot te verbeteren: het is niet meer dan de erkenning dat de mensheid ook betekenis nodig heeft, of in ieder geval, de kans om naar betekenis te zoeken.'

Betekenis

Centraal in de beschouwing van André Brink staat het woord 'betekenis': vanuit het teken – een taalteken, een beeldteken – zin geven aan wat mensen drijft en bezighoudt. Laat het nu ook net dit zijn wat Renaat Ramon voor ogen heeft in en met zijn artistiek oeuvre. Als dichter-essayist én als beeldend kunstenaar blijft Ramon in zijn eigen taal communiceren met zijn lezers/toeschouwers. Het artistieke als de weg die hij blijvend bewandelt om orde te scheppen in de chaos van het leven. Dit brengt mij tot mijn keuzegedicht: 'Opera' uit de bundel 'Geheim besogne' (2006). Het gedicht verenigt in één volgehouden beweging de beeldende kunst en de poëzie.

Opera

 

Alleen orde is eeuwig. Man en vrouw heb ik tot een sluitende cirkel verbogen, van man en vrouw een vierkant gemaakt – zo kan ik werken

 

op de maat der mensen als de vader der oorzaak, door woorden bewoond en door cijfers getekend.

 

Ik buig, martel de metalen luister naar het kruien van keelklanken, de woorden wentelend in het vuur.

 

En zwijg – want niet alles mag voor de dag een naam hebben.

Poëtica

Het gedicht 'Opera' kan worden gelezen als een 'poëtica' van de dichter en de beeldend kunstenaar Renaat Ramon. De demiurg die orde schept, of althans: orde wíl scheppen. Ramons poëzie en beeldend werk hebben hun wortels in het menselijke bestaan: tot twee keer toe, in verzen die vanuit hun directe plaatsing mekaar echoën, wordt verwezen naar 'man en vrouw'. Wat de 'maker' aangaat: hij heeft ervoor gekozen beide componenten te 'verbuigen' – let hier op de taalkundige connotatie die wordt opgeroepen – 'verbuigen' tot cirkel en vierkant, elementaire geometrische vormen die nadrukkelijk aanwezig worden gesteld in het beeldend werk én in de visuele poëzie. 'Zo kan ik werken', noteert de ik in het gedicht, 'op de maat der mensen’. Hij wordt 'vader der oorzaak' en weet zich 'door woorden bewoond en door cijfers getekend'.
In een gesprek dat ik met hem had in 2005 voor Poëziekrant, zegt Renaat: "Ik heb begrepen dat ik voor de helft uit letters besta en voor de andere helft uit cijfers." Poëzie – zowel de woordgedichten als de visuele gedichten – kan worden gezien als de weg die leidt naar een vorm van harmonie waarin beide helften een leefbaar verbond aangaan.

Scheppingsproces

'Ik buig, martel de metalen' gaat hij verder in zijn 'Opera'-gedicht. De ondraaglijke zwaarte van het scheppingsproces, dat geen enkele vorm van vrijblijvendheid duldt. Woorden wentelen in het vuur – het brandend vuur van de kunstenaar-schepper - , het vuur ook dat toelaat de metalen te buigen en te martelen. Ik keer terug naar de openingsstrofe: 'Zo kan ik werken op de maat der mensen', het is een bijna letterlijke herhaling van de verzen uit een eerder verschenen gedicht: 'de maat die in de mensen ligt / en de orde die de goden hebben gewild: / maat, rede en evenwicht.'

Relativeringsvermogen

Het gedicht 'Opera' kan in wezen niet los worden gelezen van het er in de bundel op volgende gedicht 'Opus'. Uit het gedicht spreekt een verregaand relativeringsvermogen: 'niet alles / wat gedacht werd was gedaan' – 'veel woorden weigerden vorm' – 'Veel bleef er onvoltooid / en veel ook bleek onvruchtbaar, / niet vatbaar voor een door- / tocht naar het paradijs'. In de beweging van een cyclische omarming grijpt het gedicht dan terug naar het 'Opera'-gedicht door de herhaling van het vers: 'want alleen orde is eeuwig'. Veelbetekenend is dan wel de toevoeging: 'maar ook Chaos in een god'. Orde versus Chaos, en daarin, in die wentelende keer van het bestaan, de dichter die zoekt en blijft zoeken, en daarom, precies daarom kan schrijven – ik citeer uit gedicht vier uit de cyclus 'Vigilie' in 'Geheim Besogne': 'Het is goed hier te zijn, / orde te scheppen, bomen te bouwen, / takken te leiden, knopen te snoeien / en te meten met de maat der mensen.'

Triomfalisme

Bij Renaat Ramon is bij dat alles geen sprake van triomfalisme – hij spreekt met een stem die niet alles zegt of kan zeggen. De slotstrofe van 'Opera' getuigt daarvan:
En zwijg –
want niet alles
mag voor de dag
een naam hebben.

Het kan erop lijken dat de dichter hier minder gelooft aan de kracht van het woord. In zijn bundel 'Noodweer' uit 1987 had hij al aan het slot geschreven: 'één voor één / besterven je de woorden / in de mond'. In de slotstrofe van 'Opera' heeft het gevoel van onmacht, als het gaat om de impact die poëzie misschien tot op zekere hoogte kan hebben, plaats gemaakt voor een dieper inzicht: 'niet alles / mag voor de dag / een naam hebben.' Hier is een dichter aan het woord die weet dat woorden niet steeds even adequaat kunnen vatten wat de dichter voor ogen heeft.

Jooris van Hulle
Literair criticus